202501783/1/A3.
Datum uitspraak: 4 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Garderen, gemeente Barneveld,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 14 februari 2025 in zaken nrs. 24/2777 en 24/6154 in het geding tussen:
[appellant]
en
de burgemeester van Barneveld.
Procesverloop
Bij besluit van 13 december 2023 heeft de burgemeester aan Genot van Garderen B.V. een exploitatievergunning verleend.
Bij besluit van 27 maart 2024 de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk ongegrond verklaard.
Bij besluit van 3 juni 2024 heeft de burgemeester op een tweede aanvraag beslist en een nieuwe exploitatievergunning verleend.
Bij uitspraak van 14 februari 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep tegen het besluit van 13 december 2023 niet-ontvankelijk verklaard en het met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) door [appellant] ingestelde beroep tegen het besluit de burgemeester van 3 juni 2024 ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 december 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. I.E. Nauta, advocaat in Deventer, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. L.P. Berg, zijn verschenen. Verder is op de zitting het Genot van Garderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] woont op plusminus 12 tot 15 meter van brasserie en restaurant het Genot van Garderen (hierna: de vergunninghouder) aan de [locatie] in Garderen. De burgemeester heeft voor de horeca inrichting een exploitatievergunning verleend. [appellant] is het hiermee niet eens, omdat hij van mening is dat de verlening in strijd is met het ter plaatse van de horeca inrichting geldende bestemmingsplan "Garderen", vastgesteld door de raad van Barneveld op 12 november 2013 en hij geluids- en parkeeroverlast vreest. De burgemeester heeft hangende beroep een nieuwe exploitatievergunning verleend omdat een groter terras is aangevraagd. Tegen dit besluit heeft [appellant] met toepassing van artikel 7:1a van de Awb rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank. De vraag is of de burgemeester de beide exploitatievergunningen op goede gronden heeft verleend.
Uitspraak van de rechtbank
2. Volgens de rechtbank is de verlening van de exploitatievergunning niet in strijd met het bestemmingsplan, omdat het Genot van Garderen, hoewel in de aanvraag café-restaurant staat, alles overziend geen avondhorecabedrijf is. De onderneming opent al om 10:00 uur, is niet na 00:00 uur ‘s nachts open en de hoofdactiviteit is de restaurant/brasseriefunctie. Het karakter is dan ook wezenlijk anders dan dat van avondhorecabedrijven, die tot dieper in de nacht geopend zijn en die zich in hoofdzaak richten op uitgaanspubliek. Verder vallen volgens de rechtbank de parkeerplaatsen buiten de aanvraag voor de exploitatievergunning. Ook heeft de burgemeester, mede gelet op de beleids- en beoordelingsruimte die hem toekomt, de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf voldoende meegewogen. Hij heeft er hierbij met het oog op geluid acht op geslagen dat de dichtstbijzijnde woningen meer dan 10 meter van het horecabedrijf afliggen, dat met voorschriften is gewaarborgd dat bij die woningen ook geen hogere geluidswaarden zijn toegestaan dan volgens de milieuregels is toegestaan, dat ook op het terras geluidsnormen van toepassing zijn en livemuziek niet is toegestaan. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het besluit onevenredig nadelige gevolgen voor [appellant] heeft. Verder is naar het oordeel van de rechtbank een parkeerprobleem een ruimtelijk belang en geen probleem van openbare orde of veiligheid. Anders dan [appellant] betoogt hoeft de burgemeester dat niet te betrekken in het kader van een exploitatievergunning.
De rechtbank heeft tot slot overwogen dat de vergunning van 13 december 2023 impliciet is ingetrokken door de verlening van de vergunning van 3 juni 2024. Omdat die nieuwe vergunning in stand blijft en de eerste vergunning dus niet herleeft, heeft [appellant] geen procesbelang meer bij zijn beroep over de eerste vergunning. De rechtbank heeft dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Hoger beroep
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten om voor het beroep tegen het besluit van 13 december 2023 proceskosten en griffierecht toe te kennen. De rechtbank heeft niet onderkend dat hij geen andere keuze had dan beroep in te stellen omdat op dat moment de tweede vergunning nog niet was verleend en hij ook was gehouden dat beroep te handhaven, omdat de burgemeester niet duidelijk was over de verhouding tot de eerste vergunning.
Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester de nieuwe exploitatievergunning van 3 juni 2024 heeft mogen verlenen. De rechtbank heeft niet onderkend dat het Genot van Garderen voldoet aan de definitie van een avondhorecabedrijf, omdat zij zich met name richt op avondpubliek en zichzelf in de aanvraag ook als café-restaurant omschrijft. Dat de aangevraagde exploitatievergunning niet ziet op de parkeerplaatsen is daarnaast niet relevant, omdat het erom gaat of de exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met het bestemmingsplan. Dat is hier het geval, omdat door klanten van de horecaonderneming wordt geparkeerd op plekken met de bestemming (Bos), waar dat niet is toegestaan. Dit zal als gevolg van een handhavingsprocedure alleen nog maar toenemen, omdat het Genot van Garderen op eigen terrein maar acht parkeerplaatsen heeft. Dat tekort aan parkeerplaatsen zal ook nadelige gevolgen hebben voor de openbare orde in de omgeving. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de burgemeester dit niet had hoeven te betrekken.
Tot slot heeft de rechtbank niet onderkend dat de exploitatievergunning geweigerd had moeten worden omdat [appellant] aan de achterzijde van zijn perceel, waar het erg stil is, wel degelijk onevenredig nadelige gevolgen voor zijn woon- en leefklimaat ervaart vanwege geluidsoverlast door muziek en de stemmen van bezoekers en spelende kinderen. Er had meer rekening gehouden moeten worden met het karakter van de straat en de wijk.
Beoordeling
4. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6.2, 7.1, 8.2 en 9.1 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Dat betekent dat de laatst verleende exploitatievergunning in stand blijft.
De Afdeling voegt daaraan nog toe dat de burgemeester weliswaar een exploitatievergunning op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening moet weigeren als de exploitatie in strijd is met het geldende bestemmingsplan, maar die toetsing beperkt zich tot de vraag of de desbetreffende exploitatie in overeenstemming is met de activiteit die door de planregels wordt toegestaan (zie de uitspraak van 26 november 2025 ECLI:NL:RVS:2025:5580 onder 5). De rechtbank heeft in de door [appellant] geschetste parkeerproblemen, die volgens hem in strijd zijn met de bestemming "Bos", terecht geen aanleiding gezien om het beroep gegrond te verklaren. [appellant] heeft daarnaast niet aannemelijk gemaakt dat de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Verder is de rechtbank de burgemeester terecht gevolgd in zijn standpunt dat de horecaonderneming, alles overziend, geen avondhorecabedrijf is en de exploitatie dus in zoverre in overeenstemming is met het bestemmingsplan. De rechtbank heeft tot slot terecht geen aanleiding gezien de proceskosten voor het beroep tegen het besluit van 13 december 2023 te vergoeden. Ten aanzien van de impliciete intrekking van dit eerdere besluit doet zich immers niet de situatie voor waarbij het bestuursorgaan aan [appellant] tegemoet is gekomen (vergelijk de uitspraak van 28 maart 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA1703, onder 2.3.2). Er zijn verder geen bijzondere omstandigheden waardoor de proceskosten toch voor vergoeding in aanmerking komen. Slotsom
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
6. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Sluis
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026
802-1158