AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bestuursrechtelijke toetsing omgevingsvergunning transformatie kantoorgebouw tot appartementen in Badhoevedorp
Het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer verleende een omgevingsvergunning voor het transformeren van een kantoorgebouw aan de Sloterweg 22 in Badhoevedorp tot 24 appartementen met een parkeergarage. Deze vergunning werd aangevochten door buurtbewoners die bezwaar maakten tegen onder meer de afwijking van parkeerregels en de overschrijding van de maximale bouwhoogte.
De rechtbank vernietigde het oorspronkelijke besluit, waarna het college een nieuw besluit nam dat opnieuw werd aangevochten. Tijdens de zitting trokken meerdere partijen hun beroepen in na afspraken over onder meer privacyschermen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college bevoegd was om af te wijken van de parkeerregels en dat de overschrijding van de bouwhoogte niet in strijd was met een goede ruimtelijke ordening.
Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden met elf maanden, waarvoor het college een schadevergoeding van €1.000,00 aan twee appellanten moet betalen. Ook werden proceskosten van €467,00 toegewezen. De beroepen tegen het besluit van 23 juli 2025 werden ongegrond verklaard, waardoor de omgevingsvergunning definitief is.
Uitkomst: De beroepen tegen de omgevingsvergunning worden ongegrond verklaard en het college moet een schadevergoeding betalen wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitspraak
202205063/1/R1.
Datum uitspraak: 4 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant A], [appellant B] en [appellant C], allen wonend in Badhoevedorp,
en
het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer.
Procesverloop
Bij besluit van 24 december 2020 heeft het college aan de Amsterdamsche Vastgoed Combinatie B.V. (AVC) een omgevingsvergunning verleend voor het transformeren van een kantoorgebouw tot 26 appartementen en een parkeergarage op de locatie Sloterweg 22 in Badhoevedorp.
Bij uitspraak van 19 juli 2022 heeft de rechtbank de door [appellant A], [appellant B] en [appellant C] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 24 december 2020 vernietigd en het college opgedragen binnen 16 weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen, waarbij het besluit niet overeenkomstig de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genomen hoeft te worden.
Tegen deze uitspraak hebben het college, Caransa Groep B.V. en [appellant B] en [appellant C] hoger beroep ingesteld.
[appellant A], [appellant B] en [appellant C] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 23 juli 2025 heeft het college opnieuw op de aanvraag beslist en aan Caransa, rechtsopvolger van AVC, een omgevingsvergunning verleend voor het transformeren van een kantoorgebouw naar een woongebouw met 24 appartementen en een parkeergarage op de locatie.
Tegen dit besluit hebben [appellant A], [appellant B] en [appellant C], [partij A] en [partij B], [partij C] en [partij D] beroep ingesteld dan wel gronden aangevoerd.
Het college, Caransa, en [appellant B] en [appellant C] hebben nadere stukken ingediend.
Op 5 december 2025 heeft het college het hoger beroep ingetrokken.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 december 2025, waar [appellant B] en [appellant C], bijgestaan door mr. ing. Brandenburg-Stroo, [appellant A], en het college, vertegenwoordigd door mr. E. Elik, vergezeld door G.A. Bijlenga, mr. C. Vissers, ir. J. Beelen en ing. D.M. Olivier, zijn verschenen. Ook is op de zitting Caransa, vertegenwoordigd door mr. C. Pasteuning en mr. E.M. van Bommel, beiden advocaat in Amsterdam, vergezeld door M.W. van Straaten, I.M. Holthaus, S. Caransa, ir. A.E.M. van de Rijt en ing. J.N. de Wijs, gehoord. Verder zijn op de zitting [partij A] en [partij B], [partij C] en [partij D] gehoord.
Op de zitting hebben Caransa en [appellant B] en [appellant C] hun hoger beroepen ingetrokken. [partij A] en [partij B], [partij C] en [partij D], hebben op de zitting hun beroepen ingetrokken.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 3 mei 2017. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding en samenvatting
2. Deze uitspraak gaat over een kantoorgebouw aan de Sloterweg 22 in Badhoevedorp. Er is een omgevingsvergunning aangevraagd om dat gebouw te veranderen in een appartementengebouw met parkeergarage. Het bouwplan is meerdere keren gewijzigd. Uiteindelijk is aan Caransa een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van het kantoorgebouw in 24 appartementen met een parkeergarage.
[appellant A], [appellant B] en [appellant C], [partij A] en [partij B], [partij C] en [partij D]wonen in de buurt van de locatie. Zij zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning.
Tijdens de zitting van de Afdeling is er een afspraak gemaakt over de ramen in de zuidwestgevel. Dat heeft geleid tot de intrekking van een aantal beroepen.
De conclusie in deze uitspraak is dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen.
Over welk bouwplan gaat deze uitspraak en waarom is de Afdeling bevoegd?
3. AVC heeft een aanvraag gedaan voor het transformeren van het kantoorgebouw tot 26 appartementen en een parkeergarage op de locatie. Ter plaatse gold op dat moment het bestemmingsplan "Badhoevedorp Lijnden-Oost" en het "Parapluplan parkeerregels". De gronden hebben daarin de bestemming "Gemengd-2" met de gebiedsaanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 8". Het bouwplan is in strijd met de bouw- en gebruiksregels van het bestemmingsplan, onder andere omdat wonen op de locatie niet is toegestaan. Ook is het bouwplan in strijd met de parkeerregels.
Het college heeft op 24 december 2020 een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten "bouwen" en "gebruiken in strijd met een bestemmingsplan" als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onderdelen a en c, van de Wabo. Het college heeft daarbij artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1° en 3°, van de Wabo toegepast.
4. Op 30 juni 2023 is de aanvraag op naam van Caransa gezet. Caransa is dus de rechtsopvolger van AVC. De door Caransa gewijzigde aanvraag gaat over het transformeren van het kantoorgebouw tot 24 appartementen met een parkeergarage. Nadat de rechtbank de omgevingsvergunning van 24 december 2020 had vernietigd, heeft het college bij het besluit van 23 juli 2025 opnieuw op de aanvraag beslist en de omgevingsvergunning verleend. Het college heeft de omgevingsvergunning opnieuw verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1° en 3°, van de Wabo voor de activiteiten "bouwen" en "gebruiken in strijd met een bestemmingsplan".
5. In artikel 6:19, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een vervangend besluit wordt betrokken bij de procedure bij de bestuursrechter. In artikel 6:24 vanPro de Awb is geregeld dat dit ook geldt als er hoger beroep kan worden ingesteld. Om te beoordelen of het besluit van 23 juli 2025 in deze procedure kan worden betrokken, moet eerst worden vastgesteld of het om een vervangend besluit gaat.
In dit geval is de zogenoemde uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb gevolgd. Bij het volgen van die procedure is de hoofdregel dat op de aanvraag wordt beslist zoals die met het ontwerpbesluit ter inzage is gelegd. Als het ontwerpbesluit eenmaal ter inzage is gelegd, dan is het in beginsel niet meer toegestaan om de aanvraag nog te wijzigen of aan te vullen. Dit is alleen anders als de wijziging van de aanvraag van ondergeschikte aard is.
De voornaamste wijzigingen van de aanvraag zijn het terugbrengen van het aantal appartementen naar 24 stuks, het toevoegen van een parkeerplaats en het wijzigen van de terreininrichting en de zuidwestgevel. Hoewel deze wijzigingen in bouwkundig opzicht mogelijk niet onbeduidend zijn, vindt de Afdeling dat de uiterlijke verschijningsvorm van het gebouw en de ruimtelijke uitstraling ervan vrijwel ongewijzigd is gebleven ten opzichte van het oorspronkelijke vergunde bouwplan. Dat betekent dat het besluit van 23 juli 2025 een vervangend besluit is, dat in beginsel bij deze procedure wordt betrokken.
6. In dit geval zijn de hoger beroepen tijdens de procedure bij de Afdeling ingetrokken. Dat heeft geen gevolgen voor de beroepen tegen het besluit van 23 juli 2025.
Wie zijn er opgekomen tegen de omgevingsvergunning?
7. [appellant A], [appellant B] en [appellant C] hadden beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank had hun beroepen gegrond verklaard en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen, zoals het college heeft gedaan. Het besluit van 23 juli 2025 wordt, gelet op artikel 6:24 vanPro de Awb gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Het gaat namelijk om een wijziging van ondergeschikte aard, zoals hiervoor is vastgesteld. Voor [appellant A], [appellant B] en [appellant C] is van rechtswege een beroep tegen dit besluit ontstaan, omdat zij daarbij onverminderd een belang hebben. Zij hebben in dat verband ook gronden aangevoerd.
8. [partij A] en [partij B], [partij C] en [partij D] hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 23 juli 2025 vanwege de verlaging van de privacyschermen in de zuidwestgevel. Op de zitting van de Afdeling hebben zij met Caransa overeenstemming bereikt over de hoogte van de privacyschermen. Caransa heeft op de zitting toegezegd dat de ramen in de zuidwestgevel worden uitgevoerd met privacyschermen met een hoogte van minimaal 1,50 m die door de toekomstige bewoners in stand gehouden moeten worden. Het college heeft ingestemd met deze ondergeschikte wijziging van het bouwplan. In verband met deze afspraak tussen partijen hebben [partij A] en [partij B], [partij C] en [partij D] hun beroep ingetrokken.
9. Dit betekent dat deze uitspraak alleen over de beroepen van rechtswege van [appellant A], [appellant B] en [appellant C] tegen het besluit van het college van 23 juli 2025 gaat.
Waar gaat deze uitspraak niet meer over?
10. Op de zitting hebben [appellant B] en [appellant C] hun gronden over de ladder voor duurzame verstedelijking en over welstand ingetrokken.
Mocht het college afwijken van de parkeerregels?
11. [appellant A], [appellant B] en [appellant C] betogen dat het college geen gebruik mocht maken van zijn bevoegdheid om af te wijken van parkeerregels. Volgens hen heeft het college ten onrechte niet bewezen dat het bouwplan niet kan worden aangepast om alsnog te kunnen voorzien in voldoende parkeerruimte op eigen terrein. Het college had alleen al daarom niet af mogen wijken van de parkeerregels. Daarnaast is niet voldaan aan de voorwaarden om af te kunnen wijken van het parkeren op eigen terrein, onder meer omdat er onvoldoende parkeerplaatsen zijn.
11.1. Op 9 maart 2023 heeft de raad van de gemeente Haarlemmermeer het "Parapluplan Parkeerregels - partiële herziening" (hierna: de parkeerregels) vastgesteld.
Artikel 3.2.1 van de parkeerregels luidt: "Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen en/of een wijziging van het gebruik van gronden of bouwwerken geldt, dat op eigen terrein in voldoende mate ruimte moet zijn gereserveerd en ingericht en in stand worden gehouden voor het parkeren, stallen, laden en/of lossen van voertuigen overeenkomstig het geldende parkeerbeleid van Haarlemmermeer."
Artikel 3.2.3 luidt: "Ruimte voor het parkeren, stallen, laden en/of lossen van voertuigen, voor zover de aanwezigheid van deze ruimte krachtens deze parkeerregels is geëist, dient te allen tijde voor dit doel beschikbaar en ingericht te blijven. Ander gebruik wordt aangemerkt als strijdig gebruik."
Artikel 3.2.4 luidt: "Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.1:
a. voor wat betreft het parkeren op eigen terrein: indien op andere wijze in voldoende mate ruimte wordt gereserveerd, ingericht en in stand wordt gehouden voor het parkeren, stallen, laden en/of lossen van voertuigen, overeenkomstig het geldende parkeerbeleid van Haarlemmermeer;
b. voor wat betreft het in voldoende mate ruimte reserveren, inrichten en in standhouden: indien aanpassing van het (bouw)plan om alsnog te kunnen voorzien in voldoende parkeerruimte redelijkerwijs niet kan worden verlangd."
11.2. Het bouwplan voorziet in de aanleg van in totaal 49 parkeerplaatsen. Het college stelt zich op het standpunt dat daarmee in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Voor het bouwplan is de "Parkeerbalans transformatie Sloterweg 22 Badhoevedorp" van 20 mei 2025 opgesteld en die maakt onderdeel uit van de omgevingsvergunning.
Het bouwplan is in strijd met artikel 3.2.1 van de parkeerregels, omdat parkeerplaatsen aan de Sloterweg en de Pelikaanstraat in de openbare ruimte worden opgenomen om het bouwplan mogelijk te maken. Deze parkeerplaatsen worden dus niet op eigen terrein aangelegd zoals in artikel 3.2.1 van de parkeerregels is voorgeschreven. Het college heeft bij het besluit van 23 juli 2025 met toepassing van artikel 3.2.4 van de parkeerregels afgeweken van artikel 3.2.1. De Afdeling is van oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen met toepassing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid zoals neergelegd in artikel 3.2.4, aanhef en onder a, van de parkeerregels. De Afdeling zet dat hierna uiteen.
11.3. Anders dan [appellant A], [appellant B] en [appellant C] betogen, geldt er geen rangorde tussen onderdelen a en b van artikel 3.2.4 van de parkeerregels. Ook gaat het niet om cumulatieve eisen. Dat volgt uit de formulering van artikel 3.2.4 van de parkeerregels. De raad heeft de parkeerregels volgens de plantoelichting bewust herzien om de afzonderlijke toepassing van onderdelen a en b mogelijk te maken, terwijl dat volgens de vorige parkeerregels niet mogelijk was. Dit betekent dat het college alleen al daarom niet verplicht was om, zoals [appellant A], [appellant B] en [appellant C] willen, te bewerkstelligen dat er minder appartementen zouden worden gebouwd, zodat de parkeerbehoefte helemaal op eigen terrein zou kunnen worden aangelegd. Het college was dus bevoegd om artikel 3.2.4, aanhef en onder a, van de parkeerregels toe te passen als tenminste aan de toepassingsvoorwaarden ervan wordt voldaan.
11.4. [appellant A], [appellant B] en [appellant C] hebben verschillende argumenten aangevoerd waarom het college artikel 3.2.4, aanhef en onder a, van de parkeerregels niet zou mogen toepassen. Hierna bespreekt de Afdeling achtereenvolgens de locatie en de inrichting van de parkeerplaatsen, de berekening van het aantal parkeerplaatsen en de geschiktheid ervan en tot slot de argumenten over de instandhouding van de parkeerplaatsen.
11.5. Over de locatie van de parkeerplaatsen en de inrichting ervan overweegt de Afdeling het volgende. Het college heeft in het besluit van 23 juli 2025 toegelicht dat door de ligging van het trottoir en de parkeerplaatsen om te draaien - waarbij het voetpad op eigen terrein komt te liggen en de parkeerplaatsen aan de Pelikaanstraat en de Sloterweg op gemeentelijke grond - wordt voorkomen dat voertuigen bij het in- en uitparkeren over het trottoir moeten rijden, voordat ze op de rijbaan kunnen komen. Ook wordt zo voorkomen dat bij een totale bezetting van de parkeerplaatsen bij het wegrijden het zicht wordt belemmerd door geparkeerde auto's. Dit kan volgens het college namelijk leiden tot mogelijke verkeersongevallen. De Afdeling acht deze motivering van het college op zichzelf toereikend om gebruik te kunnen maken van artikel 3.2.4 van de parkeerregels.
Anders dan [appellant A] aanvoert, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het haaksparkeren niet aanvaardbaar is vanwege de rijbaanbreedte van de Pelikaanstraat. Het college heeft in dat verband naar voren gebracht en op de zitting toegelicht dat de breedte wordt aangevuld met een zogenoemde redresseerstrook, waardoor de rijbaan voldoende breed is.
Dat er geen parkeerplaatsen aan de Pelikaanstraat zouden mogen komen omdat de adviseurs van "Landschap en Stedenbouw" daarmee niet akkoord zijn, heeft het college in het besluit van 23 juli 2025 afdoende weerlegd. Het heeft namelijk verwezen naar de aangepaste inrichtingstekeningen - met daarin een boom - die op 5 september 2024 en 6 maart 2025 zijn getoetst en akkoord bevonden.
11.6. Hierna bespreekt de Afdeling de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen en of het bouwplan daarin voorziet. Overeenkomstig het parkeerbeleid is in de parkeerbalans toegelicht dat de stedelijkheidsgraad is bepaald als "sterk stedelijk" en dat het bouwplan ligt in de "rest bebouwde kom". Daarna is de bandbreedte bepaald en de parkeernorm. Omdat het bouwplan niet in sociale huurwoningen voorziet en op een afstand van meer dan 1.200 m ligt van een treinstation, wordt in dit geval het maximum van de bandbreedte gehanteerd. Dit leidt voor de 17 koopappartementen met een bruto vloeroppervlak van 70 tot 100 m2 tot een parkeernorm van 1,95 parkeerplaats per woning. Voor de 7 koopappartementen groter dan 100 m2 is de parkeernorm 2,15 per woning. Ten slotte is bepaald hoeveel parkeerplaatsen voor bezoekers nodig zijn. Afgerond komt het totaal, uitgaande van een volledige bezetting, op 48 parkeerplaatsen. Volgens het parkeerbeleid wordt de parkeereis bepaald door de behoefte tijdens het piekmoment. Tijdens het piekmoment, namelijk de nachtperiode tijdens werkdagen, is de parkeervraag 45 parkeerplaatsen. Het bouwplan voorziet in de aanleg van in totaal 49 parkeerplaatsen.
Wat [appellant A] heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de parkeerbehoefte verkeerd is berekend. Volgens [appellant A] zijn er onvoldoende parkeerplaatsen omdat door het gewijzigde parkeerbeleid van de gemeente Amsterdam autobezitters uit Amsterdam Nieuw-West hun auto in Badhoevedorp parkeren. Met dergelijke ontwikkelingen hoeft echter geen rekening gehouden te worden, omdat het gaat om de parkeerbehoefte die van dit bouwplan uitgaat.
Wat [appellant B] en [appellant C] hebben aangevoerd over de geschiktheid van de parkeergarage, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat er onvoldoende parkeerplaatsen in het bouwplan zijn opgenomen omdat die parkeerplaatsen niet gebruikt zouden kunnen worden. In de parkeergarage zijn 11 parkeerplaatsen opgenomen die alleen gebruikt kunnen worden door de gebruikers van het appartementengebouw. [appellant B] en [appellant C] stellen op zichzelf terecht dat de gemeentelijk verkeerskundige en verkeerskundig bureau Goudappel Coffeng onderschrijven dat de kelder niet ruim is, maar dat betekent niet dat die parkeerplaatsen niet gebruikt kunnen worden. De Afdeling is van oordeel dat het college en Caransa voldoende hebben onderbouwd dat de parkeerplaatsen in de parkeergarage daadwerkelijk gebruikt kunnen worden. Op de zitting van de Afdeling heeft de verkeersdeskundige van Caransa toegelicht dat er een geslaagde praktijktest heeft plaatsgevonden. De bocht in de parkeerkelder kan op rustige snelheid gemaakt worden met een voertuig van gangbare afmetingen. Overigens hebben het college en Caransa op de zitting nog toegelicht dat de parkeergarage voorzien zal worden van alle gebruikelijke voorzieningen om deze normaal te laten functioneren. De Afdeling ziet geen reden om daaraan te twijfelen.
Ten slotte deelt de Afdeling niet de opvatting van [appellant A], [appellant B] en [appellant C] dat ten onrechte niet is geborgd dat de parkeerplaatsen langs de Sloterweg en de Pelikaanstraat exclusief door gebruikers van het appartementencomplex mogen worden gebruikt. Er wordt hier namelijk gebruik gemaakt van de mogelijkheid dat parkeerplaatsen niet op eigen terrein worden aangelegd. Dan ligt het voor de hand dat die parkeerplaatsen zich bevinden in de openbare ruimte. Door de positionering van deze parkeerplaatsen direct aan het gebouw en op korte afstand ervan, kunnen de bewoners en hun bezoekers gemakkelijk gebruikmaken van deze parkeerplaatsen.
11.7. Tot slot op dit punt komt de Afdeling toe aan het argument van [appellant B] en [appellant C] dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat de parkeerplaatsen in stand gehouden moeten worden. Aan de omgevingsvergunning is het volgende voorschrift verbonden: "De 49 parkeerplaatsen dienen als volgt te worden gerealiseerd: 3 parkeerplaatsen langs de Sloterweg, 11 parkeerplaatsen aan de Pelikaanstraat, 24 parkeerplaatsen op het achtergelegen parkeerterrein en 11 parkeerplaatsen in de parkeerkelder." In de parkeerbalans, die deel uitmaakt van de omgevingsvergunning, is nader vastgelegd op welke manier deze parkeerplaatsen moeten worden aangelegd. In artikel 3.2.3 van de parkeerregels is vervolgens geregeld dat ruimte die krachtens deze parkeerregels is geëist, altijd voor dit doel beschikbaar en ingericht moet blijven en dat ander gebruik wordt aangemerkt als strijdig gebruik. Dit betekent dat er in strijd met de omgevingsvergunning wordt gebouwd als de parkeerplaatsen niet op deze manier worden aangelegd en dat er in strijd met artikel 3.2.3 van de parkeerregels wordt gehandeld als deze parkeerplaatsen niet in stand gehouden worden.
11.8. De conclusie van de Afdeling is dat wat [appellant A], [appellant B] en [appellant C] hebben aangevoerd, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college geen gebruik mocht maken van de bevoegdheid om af te wijken van artikel 3.2.1 van de parkeerregels voor het parkeren op eigen terrein.
De betogen slagen niet.
Mocht het college afwijken van de maximale bouwhoogte?
12. [appellant B] en [appellant C] betogen dat de overschrijding van de maximale bouwhoogte met 4,42 m in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Volgens hen is de motivering van het college onvoldoende. Ook had het college de raad moeten vragen om een nieuwe verklaring van geen bedenkingen.
12.1. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
12.2. Het bouwplan heeft een bouwhoogte van 14,42 m. Voor de locatie geldt een maximale bouwhoogte van 10 m. Uit het besluit van 23 juli 2025 volgt dat het college de overschrijding van deze bouwhoogte in overeenstemming acht met een goede ruimtelijke ordening en daarom op dit onderdeel afwijkt van het bestemmingsplan. Een van de redenen daarvoor is dat het gebouw dat tot nu toe aanwezig was, al een dakopbouw had en dat deze opbouw wordt uitgebreid naar een volledige bouwlaag, ongeveer 3 m terugliggend vanaf de rand van het gebouw. Daarbij heeft het college betrokken dat uit de wijzigingsbevoegdheid in artikel 46.3 van de planregels volgt dat ter plaatse een vierde bouwlaag kan worden toegestaan indien deze minimaal 3 m terug ligt vanaf de bouwgrens. Daarbij betrekt de Afdeling ook het standpunt van het college dat het hier gaat om een stedelijk gebied en dat op meer plekken langs de Sloterweg hogere woonbebouwing voorkomt. De Afdeling ziet in wat [appellant B] en [appellant C] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college de hogere bouwhoogte ter plaatse niet aanvaardbaar heeft mogen achten.
12.3. Anders dan [appellant B] en [appellant C] betogen, was in dit geval niet langer een verklaring van geen bedenkingen vereist. Op 20 april 2023 heeft de raad de bijlage "Adviesrecht gemeenteraad, delegatie van bevoegdheden en verplichte participatie onder de Omgevingswet" vastgesteld, die op 18 december 2023 opnieuw is gepubliceerd. Op grond van beslispunt 3 van het raadsbesluit, in samenhang met artikel 3.1 van de bijlage, is een verklaring van geen bedenkingen niet nodig voor een aanvraag om een omgevingsvergunning in de kern Badhoevedorp voor transformatie van een bestaand gebouw naar minder dan 75 woningen. Omdat het bouwplan om 24 woningen gaat, was een verklaring van geen bedenkingen niet vereist.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie over de beroepen
13. De beroepen van [appellant A], [appellant B] en [appellant C] tegen het besluit van het college van 23 juli 2025 zijn ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning voor het veranderen van het kantoorgebouw in 24 appartementen met een parkeergarage definitief is.
Overschrijding redelijke termijn
14. [appellant B] en [appellant C] hebben bij brief van 26 augustus 2024 verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 vanPro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De Afdeling komt tot de conclusie dat dit verzoek moet worden toegewezen. Zij geeft hierna aan hoe zij tot dat oordeel komt en tot welke schadevergoeding dat leidt.
15. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit twee rechterlijke instanties bestaat zonder voorafgaande bezwaarprocedure, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt twee jaar gerekend voor iedere rechterlijke fase. De termijn begint op het moment van ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroepschrift van [appellant B] en [appellant C] ontvangen op 18 maart 2021. De redelijke termijn is in deze procedure dus met elf maanden overschreden. De overschrijding is ontstaan in de hoger beroepsfase bij de Afdeling, maar moet aan het college worden toegerekend, aangezien het college de Afdeling heeft gevraagd om de behandeling van de hoger beroepen aan te houden voor het nemen van een nieuw besluit en die aanhouding heeft geleid tot vertraging in de afhandeling ervan.
De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 1.000,00.
Proceskosten
16. Het college moet de proceskosten van [appellant B] en [appellant C] vergoeden die zij hebben gemaakt in verband met het verzoek om schadevergoeding. De Afdeling rekent daarvoor 1 punt met een wegingsfactor van 0,5.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart de beroepen van [appellant A], [appellant B] en [appellant C] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer van 23 juli 2025 ongegrond;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer om aan [appellant B] en [appellant C] een schadevergoeding van € 1.000,00 te betalen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen, het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer tot vergoeding van bij [appellant B] en [appellant C] in verband met de behandeling van het verzoek tot schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen, het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. D.A. Verburg en mr. J.F. de Groot, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Wijgerde, griffier.