ECLI:NL:RVS:2026:597
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging inreisverbod en vertrekopdracht Europese Unie na hoger beroep
Appellant werd bij besluiten van 9 september 2024 en 8 oktober 2024 door de minister van Asiel en Migratie opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten en kreeg een inreisverbod opgelegd. Appellant stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 29 oktober 2025 het beroep ongegrond verklaarde.
Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze afdeling heeft het hoger beroep beoordeeld en concludeert dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen. De motivering van de rechtbank wordt overgenomen en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
De Afdeling ziet geen aanleiding tot verdere motivering omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.