ECLI:NL:RVS:2026:58

Raad van State

Datum uitspraak
5 januari 2026
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
202504814/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel

Appellanten hebben bij besluiten van 31 maart 2025 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd, welke door de minister van Asiel en Migratie zijn afgewezen. De rechtbank Den Haag heeft deze besluiten op 21 augustus 2025 vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Tegen deze uitspraak heeft het appellanten hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling heeft het hoger beroep beoordeeld en geoordeeld dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen.

Het hogerberoepschrift bevatte geen vragen die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming, zodat geen nadere motivering nodig was. De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bepaalde dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellanten is ongegrond verklaard en het oordeel van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

202504814/1/V2.
Datum uitspraak: 5 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant 1], [appellant 2], mede voor hun minderjarige kinderen,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 21 augustus 2025 in zaken nrs. NL25.16169 en NL24.50910 in het geding tussen:
appellanten
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluiten van 31 maart 2025 heeft de minister aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 21 augustus 2025 heeft de rechtbank de daartegen door appellanten ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvragen neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. F.W. Verweij, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 7 van de uitspraak van de rechtbank over.
1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. V.V. Essenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
w.g. Essenburg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Prins
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2026
363-1170