ECLI:NL:RVS:2026:535

Raad van State

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
202402859/2/R4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:67 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing op wrakingsverzoek tegen staatsraad in bestuursrechtelijke zaak

Verzoekers hebben op 28 januari 2026 een wrakingsverzoek ingediend tegen staatsraad Van Ravels, lid van de Afdeling bestuursrechtspraak, vanwege het niet aanhouden van een zitting en het niet bepalen van een nieuwe datum. Zij stelden dat dit leidde tot de schijn van partijdigheid en vooringenomenheid.

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het wrakingsverzoek op dezelfde dag behandeld. De staatsraad heeft het verzoek niet ingewilligd. De Afdeling heeft het wrakingsverzoek van de wrakingskamer buiten behandeling gelaten, het verzoek van verzoeker A niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening en het verzoek van verzoekers B en C afgewezen omdat er geen sprake was van een beslissing of handeling jegens hen die aanleiding gaf tot vooringenomenheid.

De Afdeling overwoog dat het wrakingsverzoek verband hield met de afwijzing van een eerder verzoek om uitstel van behandeling van de zaak op 17 december 2025. Omdat er geen nieuw uitstelverzoek was ingediend en het wrakingsverzoek pas op 28 januari 2026 werd ingediend, was het verzoek van verzoeker A onredelijk laat. Voor verzoekers B en C was er geen aanleiding tot wraking omdat zij niet betrokken waren bij het uitstelverzoek.

De Afdeling heeft het wrakingsverzoek derhalve niet-ontvankelijk verklaard of afgewezen en het verzoek om wraking van de wrakingskamer buiten behandeling gelaten.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek is buiten behandeling gelaten, niet-ontvankelijk verklaard voor verzoeker A en afgewezen voor verzoekers B en C.

Uitspraak

202402859/2/R4.
Datum beslissing: 28 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge beslissing met overeenkomstige toepassing van artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op een verzoek van:
[verzoeker A[, [verzoeker B] en [verzoeker C], allen wonend in Groenekan, gemeente De Bilt,
verzoekers,
om toepassing van artikel 8:15 van Pro de Awb.
Procesverloop
Bij brief, ingekomen op 28 januari 2026, en aangevuld op dezelfde datum hebben [verzoekers] verzocht om wraking van staatsraad mr. B.P.M. van Ravels (de staatsraad) als lid van de Afdeling belast met de behandeling van de zaak nr. 202402859/1/R4.
De staatsraad heeft niet in de wraking berust.
De Afdeling heeft het wrakingsverzoek op een zitting behandeld op 28 januari 2026 waar de staatsraad is verschenen.
Beslissing
Bij mondelinge beslissing van 28 januari 2026 heeft de Afdeling:
I.        het verzoek om wraking van de wrakingskamer buiten behandeling gelaten;
II.       het verzoek om wraking, voor zover ingediend door [verzoeker A], niet-ontvankelijk verklaard;
III.      het verzoek om wraking, voor zover ingediend door [verzoeker B] en [verzoeker C], afgewezen.
Overwegingen
Daartoe heeft de Afdeling het volgende overwogen.
1.       [verzoekers] hebben aan hun verzoek ten grondslag gelegd dat de staatsraad de zitting van 28 januari 2026 niet heeft aangehouden en geen nieuwe datum heeft bepaald. Met deze afwijzing is de schijn van partijdigheid dan wel vooringenomenheid van de staatsraad gewekt. De afwijzing, waarbij voorbij wordt gegaan aan het recht om gehoord te worden, en geen rekening wordt gehouden met verhinderingen, is volgens [verzoekers] zo onbegrijpelijk dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring kan worden gegeven dan dat deze door vooringenomenheid van de staatsraad is gegeven.
In hun aanvullend stuk hebben [verzoekers] aangegeven dat, indien de zitting waarop het wrakingsverzoek wordt behandeld, doorgang vindt, ook de wrakingskamer wordt gewraakt.
2.       De wrakingskamer laat het verzoek tot wraking van de wrakingskamer buiten behandeling.
3.       Het verzoek tot wraking van de staatsraad houdt verband met de afwijzing van een eerder mede namens [verzoeker A] gedaan verzoek om uitstel van de behandeling van de zaak op zitting. Dat verzoek om uitstel is op 17 december 2025 afgewezen. Uit de tot het dossier behorende stukken blijkt niet dat daarna nog een verzoek om uitstel is gedaan. Het verzoek om wraking is ingediend op 28 januari 2026 en is, gelet op de datum van afwijzing van het verzoek om uitstel, onredelijk laat ingediend. Het verzoek, voor zover ingediend door [verzoeker A], wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om uitstel is niet ingediend door of namens [verzoeker B] en [verzoeker C]. Met de afwijzing van het verzoek om uitstel heeft de staatsraad dus geen beslissing ten aanzien van [verzoeker B] en [verzoeker C] genomen of een andere handeling jegens hen verricht, zodat er alleen al daarom geen sprake is van (de schijn van) vooringenomenheid. Het verzoek tot wraking, voor zover door hen ingediend, moet daarom worden afgewezen.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. H.J.M. Besselink en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid mr. N.D.T. Pieters, griffier.
w.g. Daalder
voorzitter
w.g. Pieters
griffier
473