AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging oplegging Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer ondanks betwisting medische klachten en betalingsproblemen
Het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) legde appellant op 5 augustus 2024 een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (EMA) op vanwege een ademalcoholgehalte van 675 µg/l gemeten na een aanhouding op 19 juli 2024 wegens rijden onder invloed. Appellant betaalde de kosten van de EMA niet, waarna het CBR zijn rijbewijs ongeldig verklaarde, een besluit dat in een aparte procedure wordt behandeld.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van appellant tegen de EMA-oplegging ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn medische klachten het gemeten alcoholgehalte konden verklaren en dat hij sociaal geïsoleerd raakte door het ongeldig verklaren van zijn rijbewijs. Hij overhandigde medische stukken ter onderbouwing.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellant geen redelijke twijfel had gezaaid over de juistheid van het proces-verbaal en dat de medische stukken onvoldoende waren om het alcoholgehalte te betwijfelen. Het niet betalen van de EMA-kosten en de daaropvolgende ongeldigverklaring van het rijbewijs waren niet reden om de EMA-oplegging onevenredig te achten. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat het besluit niet onrechtmatig was.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de oplegging van de EMA wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitspraak
202500616/1/A2.
Datum uitspraak: 28 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland van 16 oktober 2024 in zaak nr. 24/6052 in het geding tussen:
[appellant]
en
het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).
Procesverloop
Bij besluit van 5 augustus 2024 heeft het CBR aan [appellant] een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (hierna: EMA) opgelegd.
Bij besluit van 29 augustus 2024 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 oktober 2024 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. Het CBR heeft [appellant] een EMA opgelegd, omdat hij volgens een mededeling van de politie op 19 juli 2024 is aangehouden wegens rijden onder invloed. Er is bij hem een ademalcoholgehalte gemeten van 675 µg/l. Een EMA is een verplichte cursus waarbij de cursist bewust wordt gemaakt van de risico’s van alcohol in het verkeer. De kosten van een EMA moet de cursist zelf betalen.
2. Omdat [appellant] de kosten van de EMA niet heeft betaald, heeft het CBR bij besluit van 8 januari 2025 zijn rijbewijs ongeldig verklaard. Dat besluit ligt in deze procedure niet voor. Daartegen loopt een afzonderlijke procedure.
Oordeel van de voorzieningenrechter van de rechtbank
3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het CBR volgens de geldende regelgeving gehouden was een EMA op te leggen. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gevolgen van het opleggen van een EMA voor hem zodanig onevenredig zijn, dat de regelgeving in zijn geval buiten toepassing moet worden gelaten. Dat hij van een bijstandsuitkering leeft is geen uitzonderlijk geval. [appellant] kan om een betalingsregeling verzoeken. Dat, als hij niet betaalt, zijn rijbewijs ongeldig wordt verklaard, maakt ook niet dat de gevolgen van het opleggen van een EMA onevenredig zijn. Hij kan gebruikmaken van het openbaar vervoer om zijn familie te bezoeken, aldus de voorzieningenrechter.
Beoordeling van het hoger beroep
4. [appellant] betoogt dat hij medische klachten heeft die een verklaring kunnen zijn voor het gemeten ademalcoholgehalte en dat er geen aanvullende redenen waren, bijvoorbeeld in zijn rijgedrag, om uit te gaan van rijden onder invloed van alcohol. In de strafzaak heeft hij zijn rijbewijs dan ook teruggekregen, maar door de handelwijze van de politie, het CBR en de voorzieningenrechter wordt hij nog steeds gestraft. Omdat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard, leeft hij in een sociaal isolement en kan hij zijn kinderen en zieke moeder niet bezoeken. [appellant] betoogt dat hij fysieke klachten heeft en krijgt van reizen met het openbaar vervoer. Er is niemand in zijn omgeving die hem met de auto ergens naartoe durft te brengen, omdat hij naar eigen zeggen door de politie actief wordt opgespoord met scancamera’s.
Ter staving van zijn betoog heeft [appellant] foto’s van zijn zieke moeder, informatie van zijn tandarts over zijn gebitsklachten en een bericht van de afdeling Legal van, naar zijn zeggen, Jellinek en de Hartstichting overgelegd.
4.1. Uit het proces-verbaal volgt dat de zogenoemde sniffer een indicatie gaf voor alcohol, dat het ademtestapparaat een G/F-indicatie gaf en dat bij de ademanalyse een waarde van 625 µg/l is vastgesteld. Voor het opleggen van een EMA is niet vereist dat in het proces-verbaal andere gedragingen zijn opgenomen die duiden op het rijden onder invloed.
Met de voorzieningenrechter is de Afdeling van oordeel dat [appellant] geen redelijke twijfel heeft gezaaid over de juistheid van het proces-verbaal. Uit de door hem overgelegde informatie van zijn tandarts blijkt niet dat de uitslag van de ademanalyse wordt verklaard door medische klachten van [appellant]. [appellant] heeft verder geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de strafrechter hem heeft vrijgesproken van het rijden onder invloed.
De voorzieningenrechter heeft daarom terecht geoordeeld dat het CBR aan [appellant] een EMA moest opleggen.
4.2. [appellant] heeft gesteld dat hij de kosten van de EMA niet kan betalen. De Afdeling ziet daarin geen reden om het opleggen van de EMA onevenredig te achten. Voor het betalen van de kosten kon [appellant] een betalingsregeling aanvragen bij het CBR.
[appellant] heeft de kosten van de EMA niet betaald. Het gevolg daarvan is dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard. De Afdeling begrijpt goed dat [appellant] zijn zieke moeder en kinderen graag wil bezoeken. Naar het oordeel van de Afdeling is het door [appellant] gestelde sociale isolement echter het gevolg van de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs en niet van de oplegging van een EMA. In de procedure tegen de ongeldigverklaring kan [appellant] aanvoeren waarom die ongeldigverklaring volgens hem onevenredig is.
De voorzieningenrechter heeft terecht geoordeeld dat het opleggen van de EMA niet onevenredig is. Het bericht van de afdeling Legal biedt geen aanleiding voor een ander oordeel.
4.3. Het betoog slaagt niet.
Verzoek om schadevergoeding
5. [appellant] verzoekt om schadevergoeding voor de kosten en schulden die hij voor deze procedure heeft moeten maken en om een vergoeding voor de immateriële schade die hij heeft geleden als gevolg van deze procedure.
5.1. De Afdeling wijst dit verzoek af, omdat het besluit waarbij de EMA is opgelegd niet onrechtmatig is.
Eindoordeel
6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
7. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
8. Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af;
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G. de Vries-Biharie, griffier.