ECLI:NL:RVS:2026:4447

Raad van State

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
202407533/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 Wet hersteloperatie toeslagenArt. 6:38 BWArt. 6:39 BWArt. 6:248 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing overname private schuld toeslagenaffaire wegens niet-opeisbaarheid

In deze zaak heeft appellante, als gedupeerde van de toeslagenaffaire, verzocht om overname van een private schuld van € 22.726,21 bij Interbank. De minister heeft dit verzoek geweigerd omdat de schuld niet vóór 1 juni 2021 opeisbaar was, zoals vereist in de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).

De rechtbank Amsterdam heeft de afwijzing van het bezwaar van appellante bevestigd en geoordeeld dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een andere uitkomst rechtvaardigen. De schuld was niet opeisbaar omdat appellante tijdig aan haar betalingsverplichtingen had voldaan en er geen achterstallige termijnen of incassomaatregelen waren.

Appellante voerde aan dat de schuld mondeling was opgeëist, maar dit werd niet aannemelijk gemaakt en strookt niet met de e-mail van Interbank. Ook het beroep op het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel werd verworpen, omdat het onderscheid tussen gedupeerden met en zonder betalingsachterstand door de wetgever is gemaakt en eerder door de Afdeling is bevestigd.

De Raad van State verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt het vonnis van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de overname van de private schuld wordt bevestigd.

Uitspraak

202407533/1/A2.
Datum uitspraak: 29 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 november 2024 in zaak nr. 24/4728 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 6 juli 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen geweigerd een private schuld van [appellante] over te nemen.
Bij besluit van 4 juli 2024 heeft de minister, in zijn hoedanigheid van rechtsopvolger van de Belastingdienst/Toeslagen, het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 4 november 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 17 april 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. M. Kartal, advocaat in Amsterdam, via een videoverbinding heeft deelgenomen, en de minister, vertegenwoordigd door mr. S. Akkas en mr. M. Bouhoud, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       In deze zaak gaat het over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht).
2.       In hoofdstuk 4 van de Wht is geregeld onder welke voorwaarden gedupeerden in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. Uit artikel 4.1, tweede lid, van de Wht volgt dat het bij schulden die worden overgenomen moet gaan om geldschulden die zijn ontstaan na 31 december 2005, vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren en niet zijn voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. In artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wht is opgenomen dat de resterende hoofdsommen van andere leningen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden, niet worden overgenomen.
3.       [appellante] is aangemerkt als gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft verzocht om overname van een private schuld bij Interbank van € 22.726,21. De minister heeft geweigerd deze schuld over te nemen, omdat de schuld niet vóór 1 juni 2021 opeisbaar was. Uit een e-mail van Interbank van 3 juli 2023 blijkt dat de schuld niet is opgeëist en dat er geen achterstallige betalingstermijnen zijn die in de referteperiode van de Wht vallen. De minister heeft de afwijzing van deze aanvraag in bezwaar gehandhaafd.
Uitspraak van de rechtbank
4.       De rechtbank heeft geoordeeld dat zich in dit geval geen bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Daarom komt zij niet toe aan de vraag of toepassing van artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht in dit geval in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel.
De rechtbank is verder tot het oordeel gekomen dat de minister terecht de overname van de private schuld heeft afgewezen. Zij heeft daartoe overwogen dat uit de e-mail van Interbank van 3 juli 2023 volgt dat [appellante] geen betalingsachterstanden had, dat de schuld niet is opgeëist en dat er geen incassomaatregelen waren getroffen. De schuld voldoet daarmee niet aan het in artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht gestelde vereiste van opeisbaarheid.
Het hoger beroep en de beoordeling daarvan
Opeisbaarheid
5.       [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de schuld op grond van artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht niet opeisbaar was. Zij voert aan dat de schuld mondeling is opgeëist en dat een officiële ingebrekestelling niet verplicht is om te bepalen of een schuld daadwerkelijk is opgeëist.
5.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, zijn voor de beantwoording van de vraag of en op welk moment een schuld opeisbaar is geworden, de bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek (het BW) bepalend. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5101, onder 7. Een schuld is in de regel opeisbaar wanneer de schuldeiser nakoming kan vorderen. Artikel 6:38 van Pro het BW bepaalt dat wanneer geen termijn voor nakoming is bepaald de verbintenis direct opeisbaar is. Is wel een termijn voor nakoming bepaald, dan is de verbintenis pas na het verstrijken van die termijn opeisbaar (artikel 6:39 van Pro het BW). Of al dan niet een termijn voor nakoming is bepaald, vloeit voort uit wat partijen zijn overeengekomen en uit wat volgt uit de wet, de gewoonte en de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 van Pro het BW). Artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht verlangt slechts dat sprake is van een vóór 1 juni 2021 opeisbare schuld. Niet relevant is dus of een schuldeiser met een opeisbare vordering vóór 1 juni 2021 ook daadwerkelijk al stappen tot invordering of opeising heeft gezet. Dat strookt ook met de bedoeling van de wetgever, die met de private schuldenregeling heeft beoogd om gedupeerden van de toeslagenaffaire, die te kampen hadden met betalingsachterstanden en opeisbare schulden en dientengevolge mogelijke incassomaatregelen of de dreiging daarvan, een nieuwe start te bieden.
5.2.    [appellante] voldeed maandelijks aan haar betalingsverplichtingen. De maandelijkse aflossingen duiden erop dat tussen [appellante] en Interbank betalingstermijnen waren overeengekomen. Zoals onder 5.1 is overwogen, wordt een schuld in dat geval pas opeisbaar als de maandelijkse betalingstermijn is verstreken zonder dat is betaald. Uit de e-mail van Interbank van 3 juli 2023 aan Sociale Banken Nederland volgt dat het openstaande saldo niet (geheel of gedeeltelijk) opeisbaar is geworden en dat er geen achterstallige betalingen waren. [appellante] heeft vóór 1 juni 2021 aan de overeengekomen maandelijkse betalingstermijnen voldaan. De schuld is daarom niet opeisbaar in de zin van artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht. Dat Interbank geen incassomaatregelen had getroffen, is daarbij niet relevant, omdat dit geen rol speelt bij de beoordeling van de opeisbaarheid.
5.3.    Voor zover [appellante] aanvoert dat zij verschillende keren telefonisch is benaderd door Interbank over betaling van de schuld en dat daaruit volgt dat de schuld mondeling is opgeëist, leidt dat niet tot een ander oordeel. Zij heeft deze stelling niet aannemelijk gemaakt. Bovendien volgt uit de e-mail van 3 juli 2023 juist het tegendeel.
5.4.    Het betoog slaagt niet.
Toetsing aan rechtsbeginselen
6.       [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de afwijzing van haar aanvraag om de schuld over te nemen in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Zij voert aan dat het onderscheid dat wordt gemaakt tussen gedupeerde ouders met een betalingsachterstand, omdat zij zich niet hebben gehouden aan hun betalingsverplichtingen, en [appellante], die onder moeilijke omstandigheden wel aan haar betalingsverplichtingen heeft voldaan, niet rechtvaardig is.
6.1.    De gronden die [appellante] aanvoert, gaan over een rechtsvraag die de Afdeling eerder heeft beantwoord (zie de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2045, onder 10 e.v.). Wat [appellante] aanvoert, biedt geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen.
Conclusie
7.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
8.       De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026
705-1189