ECLI:NL:RVS:2026:4446
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek overneming private schulden toeslagenaffaire wegens niet-opeisbaarheid
In deze zaak heeft appellante, als gedupeerde van de toeslagenaffaire, verzocht om overname van private schulden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Het ging om twee schulden, respectievelijk aan Quander en Primeline, die de minister heeft geweigerd over te nemen omdat zij niet voldeden aan de voorwaarden van opeisbaarheid vóór 1 juni 2021 en er geen sprake was van betalingsachterstanden.
De rechtbank Amsterdam heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard, stellende dat de schulden weliswaar openstonden, maar niet opeisbaar waren omdat er geen incassomaatregelen waren getroffen en de schuldeisers schriftelijk bevestigden dat er geen betalingsachterstanden waren. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen omdat de wetgever bewust onderscheid maakt tussen schulden met en zonder betalingsachterstand.
In hoger beroep betoogde appellante dat voor opeisbaarheid geen schriftelijke ingebrekestelling vereist is en dat het onderscheid in behandeling onrechtvaardig is. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde echter dat opeisbaarheid wordt bepaald aan de hand van het Burgerlijk Wetboek en dat de schuld pas opeisbaar is na het verstrijken van een betalingstermijn zonder betaling. Omdat appellante steeds tijdig betaalde, waren de schulden niet opeisbaar.
De Afdeling oordeelde dat het beroep op het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel niet slaagt, verwijzend naar eerdere jurisprudentie. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag tot overneming van private schulden bevestigd.