ECLI:NL:RVS:2026:4442

Raad van State

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
202501268/1/R1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:13 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen aanwijzing locatie ondergrondse restafvalcontainer in Utrecht

Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht heeft bij besluit van 24 september 2024 een locatie op de hoek van de Mauritsstraat en de Dillenburgstraat aangewezen voor het plaatsen van een ondergrondse restafvalcontainer (ORAC). Appellanten, wonend in de omgeving, stelden dat deze locatie ongeschikt is, mede vanwege eerdere bezwaarprocedures, nabijheid van laadpalen, geur- en geluidsoverlast, en het ontbreken van draagvlak.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de eerdere intrekking van een nabijgelegen locatie wegens een onvoorziene leiding niet betekent dat de nu aangewezen locatie ongeschikt is. Ook de aanwezigheid van laadpalen vormt geen belemmering, aangezien deze verplaatst of verwijderd zullen worden. Geur- en geluidshinder en zwerfvuil zijn onder normale omstandigheden geen reden om de locatie af te wijzen.

Verschillende alternatieve locaties werden door appellanten voorgesteld, maar het college heeft gemotiveerd waarom deze niet zodanig geschikter zijn dat het had moeten kiezen voor die alternatieven. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan deze motivering te twijfelen. Het beroep wordt daarom, voor zover ontvankelijk, ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanwijzing van de locatie voor de ondergrondse restafvalcontainer wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

202501268/1/R1.
Datum uitspraak: 29 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant] en anderen, allen wonend in Utrecht,
appellanten,
en
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 24 september 2024 heeft het college een locatie op de hoek van de Mauritsstraat en de Dillenburgstraat ter hoogte van huisnummer 9 aangewezen voor het plaatsen van een ondergrondse restafvalcontainer (hierna: ORAC).
Bij besluit van 22 januari 2025 heeft het college het hiertegen door [appellant] en anderen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak behandeld op een zitting op 12 maart 2026, waar [appellant] en anderen, bij monde van [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. S. van Beest en R.P. Klaasse, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellant] en anderen wonen allen in de omgeving van het kruispunt Dillenburgstraat - Mauritsstraat.
Het college heeft eerder, bij besluit van 23 juni 2021, de locatie Mauritsstraat tegenover Dillenburgstraat 11-11 bis aangewezen als locatie voor een ORAC. Het college heeft dit besluit op 4 augustus 2022 ingetrokken. De nu aangewezen locatie ligt op een afstand van ongeveer 3,5 m van de locatie die bij besluit van 23 juni 2021 was aangewezen.
Ontvankelijkheid
2.       Het beroep is naast door [appellant] en anderen ook ingesteld door [zeven personen]. Deze personen hebben geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 24 september 2024. Niet gebleken is van omstandigheden op grond waarvan hen redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bezwaar te hebben ingediend. Gelet op artikel 6:13 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is het beroep, voor zover door hen ingesteld, niet-ontvankelijk.
Intrekking
3.       Op de zitting hebben [appellant] en anderen hun grond dat het college niet heeft gereageerd op een brief van 10 september 2022 en dat daaruit moet worden afgeleid dat de locatie ongeschikt is, ingetrokken.
Toetsingskader
4.       Bij de keuze van een locatie voor een ORAC moet het college een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het locatieplan. Daarbij heeft het college beleidsruimte. De Afdeling beoordeelt, aan de hand van de beroepsgronden, of de nadelige gevolgen van de aanwijzing van de locatie niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de aanwijzing te dienen doelen. Daarbij beoordeelt zij of het college de locatie geschikt heeft mogen achten voor de plaatsing van de ORAC. Als dat zo is, dan beoordeelt de Afdeling vervolgens of het college toch had moeten afzien van aanwijzing van die locatie vanwege een geschiktere alternatieve locatie. Een alternatieve locatie moet zodanig geschikter zijn dan de aangewezen locatie, dat geoordeeld moet worden dat het college niet heeft kunnen kiezen voor die locatie, maar had moeten kiezen voor de alternatieve locatie.
5.       In deze procedure gaat het om de aanwijzing van een locatie voor een ORAC. De keuze van het gemeentebestuur om voor de inzameling van restafval gebruik te maken van ORAC’s, ligt niet ter beoordeling voor. Wanneer de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, beoordeelt de Afdeling in een procedure als deze of het betrokken bestuursorgaan de gevolgen van de aanwijzing voor de omgeving aanvaardbaar heeft kunnen achten. Die beoordeling kan ook betrekking hebben op nadelen die inherent zijn aan het gekozen inzamelsysteem, zoals geluid- en geuremissie van het gebruik van een ORAC, toename van verkeer van en naar een ORAC en (verkeers-)hinder die gepaard gaat met het legen van een ORAC. Maar uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat die gevolgen onder normale omstandigheden niet aan aanwijzing van een locatie in de weg hoeven staan. Daarbij is van belang dat geluid- en geurhinder door de constructie van ORAC’s en door het regelmatig legen en schoonmaken zoveel mogelijk worden voorkomen, dat de verkeersaantrekkende werking in het algemeen beperkt is en dat het legen van ORAC’s maar van korte duur is. Als voorbeeld wijst de Afdeling op haar uitspraak van 24 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1464. De Afdeling zal daarom alleen maar beoordelen of locatiespecifieke of andere bijzondere omstandigheden maken dat het college in die gevolgen reden had moeten zien om de locatie niet aan te wijzen.
Richtlijnen voor aanwijzen locatie
6.       Het college hanteert de volgende richtlijnen bij het vaststellen van een locatie:
- De ondergrondse container is goed bereikbaar voor het inzamelvoertuig;
- De ondergrondse container past logisch in het inrichtingsplan;
- De ondergrondse container mag niet hoger zijn dan 1.5 meter;
- Verkeer en voetgangers worden niet belemmerd;
- De ondergrondse container is goed bereikbaar voor alle woningen;
- De loopafstand is vrijgegeven. De streefafstand is 125 meter;
- De afstand tot de erfgrens bedraagt minimaal 2 meter;
- De afstand van de ondergrondse container tot de gevel van de woning bedraagt 3 meter. Van deze regel kan worden afgeweken indien het een dichte muur betreft, in dat geval kan de afstand minimaal 2 meter zijn;
- Bij voorkeur wordt een ondergrondse container niet geplaatst aan de zuidwestkant van tuinen waar een terras is aangelegd. In Nederland komt de wind vaak uit de zuidwestelijke richting. Een container aan de zuidwestkant kan dan stankoverlast veroorzaken.
Beroepsgronden
Geschiktheid
Eerdere procedure
7.       [appellant] en anderen betogen dat de gegrondverklaring van het bezwaar in de eerdere procedure betekent dat de locatie niet geschikt is om een ORAC te plaatsten. [appellant] en anderen wijzen er, onder verwijzing naar een informatiebrief van de gemeente over het plaatsen van tijdelijke bovengrondse containers, op dat de gemeente de oude locatie en de nieuwe locatie als dezelfde locatie beschouwt.
7.1.    Het college heeft toegelicht dat de locatie die in 2021 was aangewezen nadien niet geschikt is gebleken omdat daar een onvoorziene leiding bleek te liggen.
7.2.    De Afdeling overweegt dat de enkele omstandigheid dat de locatie die oorspronkelijk was aangewezen bij het besluit van 23 juni 2021 niet geschikt bleek vanwege een onvoorziene waterleiding niet betekent dat geen enkele locatie in de directe omgeving van die locatie geschikt is. In de nu aan de orde zijnde procedure is alleen van belang of de nu aangewezen locatie geschikt is. Over de informatiebrief overweegt de Afdeling dat, anders dan [appellant] en anderen menen, niet die brief bepalend is voor de locatie van de ORAC, maar het aanwijzingsbesluit dat nu voorligt. Aan de informatiebrief kan daarom niet de betekenis toekomen die [appellant] en anderen daaraan kennelijk willen toekennen. Het betoog slaagt niet.
Laadpalen
8.       [appellant] en anderen betogen dat de locatie niet geschikt is, omdat daar recent twee laadpalen met vier oplaadplekken zijn gerealiseerd. Deze laadpunten zouden moeten worden verwijderd om ruimte te maken voor de ORAC.
8.1.    Het college stelt dat de laadpalen ofwel verplaatst worden of helemaal worden verwijderd. Volgens hem is de huidige aanwezigheid van de laadpalen dus geen belemmering voor het plaatsen van de ORAC en is de locatie daarom op zichzelf niet ongeschikt.
In wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet op dit standpunt heeft mogen stellen. Het betoog slaagt niet.
Geur, geluid en zwerfvuil
9.       [appellant] en anderen vrezen geur- en geluidoverlast tijdens het legen en dat er zwerfvuil rondom de ORAC zal komen te liggen. Zij wijzen er in dat verband ook op dat de ORAC dicht bij een tandartspraktijk komt te staan.
9.1.    Zoals de Afdeling hiervoor heeft overwogen in deze uitspraak onder 5, hoeven deze gevolgen van de plaatsing van ORAC’s onder normale omstandigheden niet aan een aanwijzing van een locatie voor de plaatsing van een ORAC in de weg te staan. De Afdeling ziet in wat [appellant] en anderen naar voren heeft gebracht, geen aanleiding voor het oordeel dat in dit geval sprake is van zulke omstandigheden.
Over het zwerfvuil overweegt de Afdeling dat dit een kwestie van handhaving is en dat wat is aangevoerd hierover geen grond geeft voor het oordeel dat het college de locatie redelijkerwijs niet heeft kunnen aanwijzen. Daarbij betrekt de Afdeling dat het college heeft verklaard dat zwerfvuil kan worden gemeld zodat dit kan worden opgelost. Het betoog slaagt niet.
Conclusie geschiktheid
10.     Het voorgaande leidt de Afdeling tot de conclusie dat in wat [appellant] en anderen naar voren hebben gebracht geen aanleiding wordt gezien voor het oordeel dat het college de locatie redelijkerwijs niet geschikt heeft mogen achten.
Alternatieve locaties
Eerste locatie, Koningslaan
11.     [appellant] en anderen betogen dat de voorgestelde locatie aan de Koningslaan leidt tot een kortere loopafstanden voor de bewoners van de Koningslaan. Die bewoners vallen bij de nu gekozen locatie buiten de maximale streefafstand, maar zouden bij dit alternatief erbinnen vallen. Anders dan het college stelt, is hier ook geen gas- of leidingnetwerk aanwezig. Verder wijzen zij op voorbeelden van andere locaties in het Wilhelminapark en een groenstrook in Voordorp waar al wel containers of betonputten daarvoor geplaatst zijn. Die locaties zijn vergelijkbaar met de situatie op de Koningslaan.
11.1.  Het college stelt dat dit alternatief niet beter is, omdat er een boom staat en er is een conflict zou optreden met kabels en leidingen (gas en riool). Daarnaast stelt het college dat ORAC’s aan een parkrand niet goedgekeurd worden, omdat het openbaar groen zoveel mogelijk beschermd moet worden. Voor zover [appellant] en anderen betogen dat er vaker in de rand van parken ORAC’s geplaatst worden, stelt het college dat ORAC’s alleen in uitzonderlijke gevallen in parken of parkranden geplaatst worden. Met betrekking tot de genoemde voorbeelden, stelt het college dat twee getoonde locaties niet direct in het park liggen en dat één getoonde locatie een stuk gras langs de weg is. De als vierde voorbeeld getoonde locatie in het Wilhelminapark was een locatie die in eerste instantie alleen bedoeld was als een afvalinzamelpunt voor parkbezoekers. Omdat de parkbezoekers vrijwel geen gebruik maakten van deze voorziening, heeft het college besloten de locatie te blijven gebruiken en open te stellen voor bewoners, om een goede afvalinzameling voor dit stuk van de wijk mogelijk te maken.
Verder stelt het college dat de loopafstand voor de bewoners van meer woningen toeneemt dan dat deze korter wordt. Er zijn tenminste twee keer meer op deze container aangewezen woningen in de Mauritsstraat dan in de Koningslaan. De bewoners van de Mauritsstraat gaan er allermaal bijna 100 meter op achteruit waardoor de meerderheid te maken zou krijgen met een forse overschrijding van de loopafstand uit de richtlijnen, oplopend tot 75 meter. Het college acht het wenselijk om meer mensen minder te laten lopen.
11.2.  De Afdeling ziet op grond van wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan deze door het college gegeven uiteenzetting. Gelet hierop heeft het college redelijkerwijs kunnen stellen dat dit alternatief niet zodanig geschikter is dan de nu gekozen locatie.
Tweede locatie, Koningslaan (dichter bij de kruising)
12.     [appellant] en anderen betogen dat de aanwezigheid van kabels en leidingen bij deze locatie aan de Koningslaan (dichter bij de kruising) nog onderzocht kan worden. Verder verschilt deze locatie niet van de nu aangewezen locatie wat betreft de positie van de ORAC ten opzichte van een woning. Bij de nu aangewezen locatie grenzen zelfs alle vertrekken binnen de woning aan de zijde van de ORAC.
12.1.  Het college stelt dat dit alternatief niet beter is, omdat het voor een raam ligt en niet, zoals de nu aangewezen locatie, voor een blind deel van een muur. Ook de loopafstand neemt toe voor meer woningen. Er zijn tenminste twee keer meer op deze container aangewezen woningen in de Mauritsstraat dan in de Koningslaan. De bewoners van de Mauritsstraat gaan er allermaal bijna 90 m op achteruit waardoor de meerderheid te maken zou krijgen met een forse overschrijding van de loopafstanden uit de richtlijnen.
12.2.  [appellant] en anderen hebben het bovenstaande niet overtuigend beargumenteerd bestreden. Gelet hierop heeft het college redelijkerwijs kunnen stellen dat dit alternatief niet zodanig geschikter is dan de nu gekozen locatie.
Derde alternatief, Stadhouderslaan
13.     [appellant] en andere betogen dat in dit alternatief een ORAC aan de westzijde van de Stadhouderslaan kan worden geplaatst. Die straat is breder en overzichtelijker dan de Mauritsstraat. Ook de stoepen zijn hier breder en de loopafstanden zouden afnemen. Dit heeft als voordeel dat de Stadhouderslaan niet hoeft te worden overgestoken en dat er dubbele capaciteit ontstaat.
13.1.  Het college stelt dat bij dit alternatief de loopafstanden voor de bewoners van zowel de Mauritsstraat als de Koningslaan toenemen. Volgens hem is dit niet wenselijk gelet op het streven om de loopafstanden zo veel mogelijk te beperken. Dit voorgestelde alternatief voldoet niet aan dit streven. Verder is bij deze voorgestelde locatie al een ORAC aanwezig, aan de andere zijde van de weg, en het bijplaatsen van een extra ORAC is fysiek niet mogelijk.
13.2.  [appellant] en anderen hebben deze uiteenzetting van het college niet overtuigend bestreden. De Afdeling ziet daarom geen grond voor het oordeel dat deze locatie zodanig geschikter is dan de aangewezen locatie, dat het college die locatie had moeten aanwijzen.
Vierde alternatief, Frederik Hendrikstraat
14.     [appellant] en anderen voeren aan dat bij de locatie Frederik Hendrikstraat meer ruimte of in ieder geval evenveel ruimte is als bij de aangewezen locatie is om de ophaalwagen te laten draaien.
14.1.  Het college stelt dat de situatie in de Frederik Hendrikstraat verschilt ten opzichte van de Mauritsstraat. De bochten om in de Frederik Hendrikstraat te komen zijn scherper, waardoor dit geen vergelijkbare straat is. De nu aangewezen locatie is gecontroleerd en akkoord bevonden door de inzameldienst. Bovendien worden de loopafstanden bij de voorgestelde locatie onnodig lang.
14.2.  [appellant] en anderen hebben dit niet overtuigend bestreden. De Afdeling ziet daarom geen grond voor het oordeel dat deze locatie zodanig geschikter is dan de aangewezen locatie, dat het college die locatie had moeten aanwijzen.
Locatie Koningslaan 25
15.     [appellant] en anderen betogen dat ter hoogte van Koningslaan 25 een alternatieve locatie voorhanden is.
15.1.  Het college stelt dat hier een riool en leidingen van de stadsverwarmingen in de weg liggen. [appellant] en anderen hebben dat niet bestreden. Om die reden heeft het college redelijkerwijs mogen menen dat dit geen locatie is die zoveel geschikter is dan de aangewezen locatie, dat die locatie had moeten worden aangewezen.
Overige alternatieven
16.     [appellant] en anderen betogen dat er ook nog andere alternatieven zijn besproken met het gemeentebestuur. Zij wijzen op twee locaties in de Koningslaan, in het midden tussen de Willem de Zwijgerstraat en de Dillenburgstraat aan de ene kant van de kruising van de Koningslaan - Dillenburgstraat en in het midden tussen de Prinses Marijkelaan en de Dillenburgstraat aan de andere kant van de kruising van de Koningslaan - Dillenburgstraat. Tot slot wijzen zij op een locatie bij de kruising Dillenburgstraat - Stadhouderslaan.
16.1.  Het college stelt dat de alternatieven aan weerszijden van de kruising Koningslaan - Dillenburgstraat geen beter alternatief zijn, omdat die niet voorzien in een zo goed mogelijk verdeling van de loopafstanden voor de meeste bewoners. De loopafstand voor meer bewoners neemt toe in plaats van dat deze korter wordt. Het college wijst erop dat er ongeveer twee keer meer op de container aangewezen woningen zijn in de Mauritsstraat dan in de Koningslaan. Bewoners in de Mauritslaan gaan er ongeveer 100 m op achteruit. Over de locatie bij de kruising Dillenburgstraat - Stadhouderslaan stelt het college dat die tegenover de al bestaande locatie "Stadhouderslaan tegenover Dillenburgstraat 27" ligt, wat de verdeling wat de loopafstanden voor de meeste bewoners van de Koningslaan en de Mauritsstraat volgens het college niet ten goede komt.
16.2.  [appellant] en anderen hebben het standpunt van het college op dit punt onvoldoende onderbouwd bestreden. De Afdeling ziet daarom in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat deze alternatieven zodanig geschikter zijn dan de aangewezen locatie, dat het college die locatie had moeten aanwijzen.
Toestemming Stedin
17.     [appellant] en anderen betogen dat het college alleen voor de nu aangewezen locatie toestemming aan Stedin heeft gevraagd en niet voor de voorgestelde locaties. Het aanwijzingsbesluit is daarom volgens hen onvoldoende zorgvuldig voorbereid.
17.1.  Het college stelt dat de alternatieven zijn beoordeeld en niet geschikt zijn vanwege meerdere redenen, zoals de loopafstanden. Om die reden heeft het college geen reden gezien om Stedin te benaderen over kabels en leidingen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich redelijkerwijs op dit standpunt mogen stellen en is er geen grond voor het oordeel dat het besluit in zoverre onzorgvuldig is voorbereid.
Conclusie alternatieven
18.     Het voorgaande leidt de Afdeling tot de conclusie dat in wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen grond kan worden gevonden voor het oordeel dat er alternatieve locaties voorhanden die zodanig geschikter zijn, dat het college niet had mogen kiezen voor de nu aangewezen locatie. Het betoog slaagt niet.
Draagvlak
19.     [appellant] en anderen betogen dat er geen draagvlak is voor de locatie, terwijl het college in een brief van 31 augustus 2022 heeft aangegeven dat het op zoek zou gaan naar een locatie met meer draagvlak.
19.1.  In de genoemde brief is vermeld dat zal worden onderzocht of een andere locatie op meer draagvlak kan rekenen. Anders dan [appellant] en anderen veronderstellen, kan uit die mededeling niet worden herleid dat de locatie nooit zou worden aangewezen. Verder heeft het college onderzoek gedaan naar alternatieve locaties, maar, zoals hiervoor is overwogen, deze locaties waren niet zodanig beter dat de nu gekozen locatie niet had mogen worden aangewezen. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
20.     Het beroep, voor zover ontvankelijk, is ongegrond.
21.     Het college hoeft de proceskosten niet te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep voor zover ingesteld door [zeven personen] niet-ontvankelijk;
II. verklaart het beroep, voor zover ingesteld door de overige appellanten, ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, griffier.
w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Helvoort
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026
361