ECLI:NL:RVS:2026:442

Raad van State

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
BRS.25.001721
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M. den Heyer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 15 KwalificatierichtlijnArt. 91, tweede lid, Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning asiel voor Ethiopische appellant uit Mek’ele

Appellant, een Ethiopische staatsburger afkomstig uit Mek’ele in de regio Tigray, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees deze aanvraag bij besluit van 21 december 2023 af. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep ongegrond op 2 oktober 2025. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling overwoog dat de minister de situatie in Mek’ele deugdelijk heeft gemotiveerd, waarbij werd vastgesteld dat de regio onder beheer staat van de Tigrayan Interim Regional Administration (TIRA) en dat de veiligheidssituatie sinds de staakt-het-vurenovereenkomst aanzienlijk is verbeterd. Dit blijkt uit een daling van gewapende conflicten, mensenrechtenschendingen en burgerdoden, waardoor de situatie niet meer valt onder de beschermingsgronden van artikel 15 van Pro de Kwalificatierichtlijn.

De grieven van appellant, waaronder zijn individuele omstandigheden, werden niet gegrond bevonden en boden geen aanleiding tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling bevestigde daarom het bestreden besluit en wees het hoger beroep af. De minister werd niet verplicht tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt bevestigd.

Uitspraak

BRS.25.001721
Datum uitspraak: 29 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 2 oktober 2025 in zaak nr. NL24.1775 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 21 december 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 2 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A.W. IJland, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        Appellant heeft de Ethiopische nationaliteit en komt uit Mek’ele, een stad in de regio Tigray in Ethiopië. In de uitspraak van 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6058, heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Mek’ele in Tigray geen sprake is van een situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Uit de overgelegde landeninformatie blijkt dat Mek’ele valt onder het beheer van de Tigrayan Interim Regional Administration (TIRA), en dat de veiligheidssituatie sinds de staakt-het-vurenovereenkomst is verbeterd. Dit uit zich in een aanzienlijke daling van gewapende confrontaties, mensenrechtenschendingen en het aantal burgerdoden.
1.1.        De vierde en vijfde grief slagen niet.
2.        Wat appellant aanvoert in de eerste, tweede, derde en zesde grief over zijn individuele situatie leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3.        Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. Toonen, griffier.
w.g. Den Heyer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Toonen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2026
979