ECLI:NL:RVS:2026:4410
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging onbevoegdheid rechtbank bij beroep tegen niet tijdig beslissen handhaving monumentenverordening
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland op haar verzoek om handhavend op te treden tegen de verwijdering van een gedenksteen op de Noorderbegraafplaats, die als monument is aangewezen.
De rechtbank Noord-Nederland verklaarde zich onbevoegd omdat appellant geen belanghebbende is bij het besluit, aangezien zij geen houder is van het grafrecht en geen andere zeggenschap heeft over het graf. Emotionele gevolgen zijn onvoldoende voor een objectief belang. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat appellant geen objectief belang heeft bij het verzoek en dat de reactie van het college geen besluit is waartegen beroep openstaat. De Afdeling bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Ten overvloede merkt de Afdeling op dat de verwijderde grafsteen niet is aangewezen als monument volgens de inventarisatie van grafmonumenten in Smallingerland. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; appellant is geen belanghebbende en rechtbank en Afdeling zijn onbevoegd.