ECLI:NL:RVS:2026:4401

Raad van State

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
202307404/1/R1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.12 WaboArt. 3.9 WaboArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 4 Bor
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestendiging omgevingsvergunning voor woningbouw ondanks strijd met bestemmingsplan

Het college van burgemeester en wethouders van Velsen verleende een omgevingsvergunning voor de bouw van een woning op een perceel in Santpoort-Zuid, ondanks dat het bouwplan deels in strijd is met het bestemmingsplan vanwege overschrijding van het bouwvlak en de maximale goothoogte. Appellanten, buren van het perceel, verzetten zich tegen deze vergunning vanwege aantasting van hun woon- en leefklimaat.

Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de rechtbank die de vergunning in stand liet, werd hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het college bevoegd was om af te wijken van het bestemmingsplan op grond van de Wabo en het Afwijkingenbeleid Velsen 2020, waarbij een belangenafweging plaatsvond. De bezwaren over onzorgvuldige communicatie en procedure werden verworpen omdat de reguliere voorbereidingsprocedure geen inspraak van omwonenden vereist.

De Afdeling stelde vast dat de beperkte overschrijding van het bouwvlak en de goothoogte niet leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van appellanten. Ook het welstandsadvies was voldoende gemotiveerd en de procedurele bezwaren faalden. De omgevingsvergunning blijft derhalve in stand en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning blijft in stand.

Uitspraak

202307404/1/R1.
Datum uitspraak: 29 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], wonend in Santpoort-Zuid, gemeente Velsen,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-­Holland van 24 oktober 2023 in zaak nrs. 22/4333 en 22/4334 in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B]
en
het college van burgemeester en wethouders van Velsen.
Procesverloop
Bij brief van 1 maart 2022 heeft het college de aan [partij] van rechtswege gegeven omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning op het perceel aan de [locatie 1] in Santpoort-Zuid bekend gemaakt.
Bij besluit van 4 augustus 2022 heeft het college de door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning met aanvulling van de motivering in stand gelaten.
Bij uitspraak van 24 oktober 2023 heeft de rechtbank de door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 13 juli 2026, waar [appellant A] en [appellant B] en het college, vertegenwoordigd door mr. W.D.R. van Smeden, zijn verschenen. Verder is op de zitting [partij] als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 16 december 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2.       De voor deze zaak relevante regelgeving is vermeld in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
3.       De omgevingsvergunning is gegeven voor de bouw van een nieuwe woning op het perceel de [locatie 1]. De woning is inmiddels gebouwd. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Santpoort-Zuid" hebben de gronden waarop het bouwplan is voorzien de bestemming "Wonen". Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan, omdat de woning gedeeltelijk buiten het bouwvlak komt te liggen en de maximaal toegestane goothoogte wordt overschreden. Verder steekt de voor een klein deel buiten het bouwvlak liggende serre boven de vloer van de eerste verdieping uit en wordt het atelier voor een deel op gronden met de bestemming "Tuin" gebouwd.
In het besluit op bezwaar heeft het college de van rechtswege gegeven omgevingsvergunning in stand gelaten. Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit "bouwen" en de activiteit "planologisch strijdig gebruik" als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo. Wat betreft de laatstgenoemde activiteit heeft het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2°, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) afgeweken van het bestemmingsplan. Voor gebruikmaking van die bevoegdheid heeft het college het Wabo afwijkingenbeleid Velsen 2020 (Afwijkingenbeleid) vastgesteld.
[appellant A] en [appellant B] wonen aan de [locatie 2]. Zij verzetten zich tegen de gegeven omgevingsvergunning. Zij vrezen voor aantasting van hun woon- en leefklimaat.
4.       Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Zorgvuldigheid besluitvorming en communicatie
5.       [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank te lichtvaardig voorbij is gegaan aan de gronden die zij in beroep naar voren hebben gebracht over de onzorgvuldige voorbereiding van de besluitvorming waarbij de gemeente volgens [appellant A] en [appellant B] fout op fout heeft gestapeld. [appellant A] en [appellant B] hebben uitvoerig gemotiveerd aangevoerd dat de gang van zaken rondom de vergunningverlening niet op de juiste wijze is verlopen, zij daarbij niet zijn betrokken en dat de communicatie daarover jegens hen gebrekkig was. Volgens [appellant A] en [appellant B] heeft het college gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
5.1.    In dit geval is op de aanvraag om omgevingsvergunning de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing. De reguliere procedure voorziet niet in een regeling voor het indienen van zienswijzen of andere vormen van inspraak van omwonenden bij de voorbereiding van het besluit op de aanvraag. De rechtbank heeft dan ook terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college bij de beoordeling van de aanvraag aan [appellant A] en [appellant B] daarvoor gelegenheid had moeten geven. In de omstandigheid dat de communicatie niet altijd goed is verlopen, zoals het college in het besluit op bezwaar heeft erkend en ook betreurt, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het besluit op bezwaar moet worden vernietigd. Het betoog slaagt niet.
Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo
6.       [appellant A] en [appellant B] betogen tevergeefs dat de rechtbank had moeten oordelen dat het college niet bevoegd was om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo een omgevingsvergunning voor het bouwplan te verlenen. Volgens hen zijn de afwijkingen van het bestemmingsplan niet aan te merken als kruimelgevallen. Maar uit artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo volgt niet dat de toepassing van deze bevoegdheid beperkt is tot planologisch ondergeschikte gevallen. Zij is beperkt tot de categorieën van gevallen die zijn vermeld in artikel 4 van Pro bijlage II van het Bor. Daarvan is in dit geval sprake. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 8 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1484.
Goede ruimtelijke ordening
7.       [appellant A] en [appellant B] betogen verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben hierover aangevoerd dat het college zichzelf wat betreft het bouwen in achtererfgebied beperkingen heeft opgelegd in het Afwijkingenbeleid en het daar voor de serre niet met toepassing van de flexibiliteitsbepaling van kan afwijken. [appellant A] en [appellant B] hebben verder aangevoerd dat hun woon- en leefklimaat onevenredig zal worden aangetast door de bouw van de woning. Zij hebben in dit verband gewezen op de verminderde bezonning van hun tuin en de verslechtering van hun privacy als gevolg van de ramen op de verdieping van de nieuwe woning en van waaruit zicht is op hun tuin. Ook hebben zij erop gewezen dat de stijl van de woning niet passend is in het straat- en bebouwingsbeeld van de omgeving.
7.1.    Vast staat dat de artikelen 1 tot en met 18 van het Afwijkingenbeleid geen grondslag bieden voor het college om een omgevingsvergunning voor het bouwplan te verlenen. De serre komt namelijk in het achtererfgebied en is vanwege de hoogte niet vergunningsvrij op grond van artikel 2, aanhef en onderdeel 3, onder a, van bijlage II van het Bor. Artikel 1 van Pro het Afwijkingenbeleid staat op het achtererf alleen vergunningsvrije bijbehorende bouwwerken toe. Het college heeft daarom toepassing gegeven aan de in artikel 19 van Pro het Afwijkingenbeleid opgenomen flexibiliteitsbepaling. Zoals het college op de zitting heeft toegelicht, stelt het zich op het standpunt dat toepassing van artikel 1 van Pro het Afwijkingenbeleid in dit geval onevenredig uitpakt voor [partij], omdat de serre de bouwvlakgrens met slechts 30 cm overschrijdt, terwijl er geen ruimtelijke of stedenbouwkundige bezwaren zijn tegen het bouwplan. Het college heeft een afweging op functioneel en ruimtelijk gebied gemaakt, waarbij het ook de in de beleidsregels vermelde algemene toetsingsaspecten in aanmerking heeft genomen.
7.2.    De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college na afweging van alle betrokken belangen de flexibiliteitsbepaling uit het Afwijkingenbeleid niet heeft mogen toepassen. Het college heeft zich onder de gegeven omstandigheden op het standpunt mogen stellen dat de gevolgen van toepassing van artikel 1 van Pro het Afwijkingenbeleid, dus het weigeren van de omgevingsvergunning, onevenredig zouden zijn in verhouding tot het daarmee te dienen doel om het dichtslibben van achtererven te voorkomen. Daarbij heeft het college in aanmerking mogen nemen dat de beperkte overschrijding van het bouwvlak in het achtererfgebied met slechts 1,25 m² nauwelijks ruimtelijke gevolgen heeft en het bouwplan als geheel in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
In wat [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de bouw van de woning op het perceel niet zal leiden tot een onaanvaardbare verslechtering van hun woon- en leefklimaat. Weliswaar zal de bouw van de woning door de plaatsing van ramen op de eerste verdieping tot enig verlies van privacy in de tuin leiden. Maar het gaat om ramen van een slaap- en badkamer, de afstand tot de woning van [appellant A] en [appellant B] is ongeveer 17 tot 20 m en er is geen sprake van directe inkijk in de woning van [appellant A] en [appellant B]. Op de zitting is hierover vastgesteld dat de van het bouwplan deel uitmakende vaste luiken bij deze ramen inmiddels zijn aangebracht in een hoek van 45 graden en het zicht op het perceel van [appellant A] en [appellant B] hierdoor verder wordt afgeschermd. Wat betreft de te verwachten afname van de bezonning als gevolg van het bouwplan heeft het college in aanmerking mogen nemen dat het bestemmingsplan de bouw van een woning met een bouwhoogte van 10 m mogelijk maakt in het bouwvlak en dat benutting van die bebouwingsmogelijkheden ook tot een afname van bezonning zou leiden. Verder ziet de Afdeling net als de rechtbank in het aangevoerde geen reden om aan te nemen dat het bouwplan het straat- en bebouwingsbeeld en de belevingswaarde van het groen op onaanvaardbare wijze zal aantasten.
Het betoog slaagt niet.
Redelijke eisen van welstand
8.       [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college zich voor zijn oordeel over welstand niet heeft mogen baseren op het positief advies van de welstandscommissie van 4 mei 2022. Zij hebben hierover aangevoerd dat het advies op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Zij hebben erop gewezen dat de vergadering van de welstandscommissie, die zij bij hadden willen wonen, in strijd met de wet niet openbaar is geweest. Verder hebben zij aangevoerd dat in het advies niet is vermeld aan welke welstandscriteria de welstandscommissie heeft getoetst. Volgens [appellant A] en [appellant B] is het bouwplan in strijd met de welstandscriteria uit de Welstandsnota 2015.
8.1.    De gronden die [appellant A] en [appellant B] in hoger beroep over de deugdelijkheid van het welstandsadvies hebben aangevoerd zijn grotendeels een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd ingegaan op deze beroepsgronden. [appellant A] en [appellant B] hebben in hoger beroep geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank dat het college zich op het welstandsadvies mocht baseren in de overwegingen 8.1, 8.2 en 8.3, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling verwijst daar kortheidshalve naar.
De Afdeling voegt hieraan toe dat het bouwplan in de openbare vergadering van de welstandscommissie van 4 mei 2022 is besproken. Dat de agenda van deze vergadering niet is gepubliceerd, maakt dat niet anders. Hoewel duidelijk is dat de informatieverstrekking door een medewerker van de gemeente over de gang van zaken rondom de vergadering van de welstandscommissie te wensen overliet, leidt dit niet tot vernietiging van het besluit op bezwaar. Aangezien anderen dan de aanvrager van de omgevingsvergunning geen spreekrecht hebben in de vergadering van de welstandscommissie, bestaat geen grond voor het oordeel dat [appellant A] en [appellant B] door het niet aanwezig zijn bij de vergadering in hun belangen zijn geschaad. [appellant A] en [appellant B] hebben in de bezwaarprocedure voldoende gelegenheid gehad om hun standpunt over welstand naar voren te brengen. Dat hebben zij ook gedaan.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
9.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft.
10.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.
w.g. Meijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Deen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026
604
BIJLAGE
Bestemmingsplan Santpoort-Zuid
Artikel 9 Tuin Pro
9.2 Bouwregels
9.2.1 Vergunningsvrije bouwwerken
Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend vergunningsvrije bouwwerken worden gebouwd.
Artikel 12 Wonen Pro
12.2.1 Gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen geldt:
a.       gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden opgericht;
b.       tenzij anders aangeduid, is de maximale goothoogte 7,0 m;
c.       tenzij anders aangeduid, is de maximale bouwhoogte 10,0 m;
[…].
12.2.2 Aan-, uitbouwen en bijgebouwen
Voor het bouwen van aan-, uitbouwen, bijgebouwen en garages geldt:
a.       de maximale gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen en bijgebouwen is 50% van het erf, met een maximum van 70 m2;
b.       de maximale goothoogte is 3,0 m;
c.       de maximale bouwhoogte van bijgebouwen is 3,5 m;
d.       de aan- en uitbouw mag niet meer dan 0,30 m boven de vloer van de 1e verdieping van het gebouw uitkomen;
e.       de maximale bouwhoogte van een garage of aan- en uitbouw is 4,0 m, gemeten vanaf het aansluitend terrein.
Wabo Afwijkingenbeleid Velsen 2020
Algemene toetsingsaspecten
Sommige verzoeken om afwijking zijn niet rechtstreeks vergunbaar op grond van de regels die in dit afwijkingenbeleid zijn opgenomen. In die gevallen vindt, teneinde een goede ruimtelijke ordening te kunnen waarborgen, een afweging plaats op functioneel en ruimtelijk gebied. Hierbij is aandacht voor onderstaande algemene aspecten:
-  bezonning, privacy en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
-  de sociale veiligheid;
-  parkeerbeleid;
-  verkeerskundige aspecten zoals benoemd in het Lokaal Verkeer- en Vervoersplan
(LVVP);
-  het straat- en bebouwingsbeeld;
-  de belevingswaarde van groen en water;
-  goed waterbeheer;
-  bouwvorm en/of beleving van beeldbepalende panden;
-  monumentale panden, beschermde dorpsgezichten en hun directe omgeving;
-  cultuurhistorische waarden (archeologie, historische- stedenbouwkunde en geografie).
Artikel 1 - bijbehorende bouwwerken op achtererfgebied
a. Op het achtererfgebied worden uitsluitend vergunningsvrije bijbehorende bouwwerken toegestaan en kelders zoals bedoeld in art. 2;
b. voor bijbehorende bouwwerken, achter de voorgevelrooilijn, maar buiten het achtererfgebied wordt een individuele afweging gemaakt.
Artikel 19 - flexibiliteitsbepaling
Voor wat betreft de toepassing van deze regeling zijn burgemeester en wethouders bevoegd om af te wijken van deze regeling, wanneer deze voor een of meer belanghebbende(n) gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. Van een bijzondere omstandigheid kan sprake zijn indien er geen redelijke alternatieven bestaan voor het verlenen van medewerking, mits de ruimtelijke consequenties beperkt blijven en geen (ongewenste) precedentwerking hoeft te worden gevreesd. Van onevenredigheid kan sprake zijn indien de aanvraag niet binnen geldend beleid past maar als gevolg van het verzoek een beleidswijziging wordt doorgevoerd.
Van de in artikel 1 t/m 18 opgenomen regels kan slechts goed gemotiveerd worden afgeweken. De algemene toetsingsaspecten zullen hierbij in acht moeten worden genomen.