ECLI:NL:RVS:2026:4331

Raad van State

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
BRS.26.003540
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • M. den Heyer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening verlenging geldigheidsduur gecombineerde vergunning verblijf en arbeid

Verzoekers hebben bij de minister een aanvraag ingediend voor verlenging van de geldigheidsduur van hun gecombineerde vergunningen voor verblijf en arbeid. Deze aanvragen zijn op 27 januari 2025 afgewezen. Vervolgens verklaarde de minister op 3 september 2025 de bezwaren van verzoekers ongegrond. De rechtbank heeft op 26 mei 2026 de beroepen van verzoekers gegrond verklaard, de besluiten vernietigd en de minister opgedragen nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van de uitspraak.

De minister is tegen deze uitspraken in hoger beroep gegaan. Verzoekers hebben daarop een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te treffen, zodat zij worden behandeld alsof hun vergunningen zijn verlengd totdat het hoger beroep is afgerond. De voorzieningenrechter oordeelt dat het hoger beroep nader onderzoek vergt en dat deze procedure zich niet leent voor een inhoudelijke beoordeling.

Daarom wordt de voorlopige voorziening getroffen dat verzoekers worden behandeld alsof hun vergunningen zijn verlengd. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoekers, bestaande uit kosten van rechtsbijstand door een derde, tot een bedrag van € 934,00.

Uitkomst: Verzoekers worden behandeld alsof hun vergunningen zijn verlengd totdat het hoger beroep is beslist en de minister moet proceskosten vergoeden.

Uitspraak

BRS.26.003540
Datum uitspraak: 23 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van [verzoeker A] en [verzoeker B] (verzoekers) om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker A] en [verzoeker B]
tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 26 mei 2026 in zaken nrs. NL25.43403 en NL25.43424 in het geding tussen:
[verzoeker A] en [verzoeker B]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluiten van 27 januari 2025 heeft de minister aanvragen van verzoekers om verlenging van de geldigheidsduur van de aan hen verleende gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid, afgewezen.
Bij besluiten van 3 september 2025 heeft de minister de daartegen door verzoekers gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraken van 26 mei 2026 heeft de rechtbank de daartegen door verzoekers ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister nieuwe besluiten op de gemaakte bezwaren neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraken heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.        Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om de voorlopige voorziening te treffen dat zij worden behandeld alsof de geldigheidsduur van de aan hen verleende vergunning is verlengd, totdat op het hoger beroep is beslist.
2.        Het hoger beroep vergt nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Daarom treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3.        De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoekers worden behandeld alsof de geldigheidsduur van de aan hen verleende vergunningen is verlengd, totdat op het hoger beroep is beslist;
II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.
w.g. Den Heyer
voorzieningenrechter
w.g. Schuurman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2026
282-1151