ECLI:NL:RVS:2026:4331
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening verlenging geldigheidsduur gecombineerde vergunning verblijf en arbeid
Verzoekers hebben bij de minister een aanvraag ingediend voor verlenging van de geldigheidsduur van hun gecombineerde vergunningen voor verblijf en arbeid. Deze aanvragen zijn op 27 januari 2025 afgewezen. Vervolgens verklaarde de minister op 3 september 2025 de bezwaren van verzoekers ongegrond. De rechtbank heeft op 26 mei 2026 de beroepen van verzoekers gegrond verklaard, de besluiten vernietigd en de minister opgedragen nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van de uitspraak.
De minister is tegen deze uitspraken in hoger beroep gegaan. Verzoekers hebben daarop een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te treffen, zodat zij worden behandeld alsof hun vergunningen zijn verlengd totdat het hoger beroep is afgerond. De voorzieningenrechter oordeelt dat het hoger beroep nader onderzoek vergt en dat deze procedure zich niet leent voor een inhoudelijke beoordeling.
Daarom wordt de voorlopige voorziening getroffen dat verzoekers worden behandeld alsof hun vergunningen zijn verlengd. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoekers, bestaande uit kosten van rechtsbijstand door een derde, tot een bedrag van € 934,00.
Uitkomst: Verzoekers worden behandeld alsof hun vergunningen zijn verlengd totdat het hoger beroep is beslist en de minister moet proceskosten vergoeden.