ECLI:NL:RVS:2026:4320
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel
De minister heeft op 19 maart 2026 een aanvraag van appellant om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Appellant stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank, die dit beroep op 8 juli 2026 ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde appellant hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het hoger beroep niet ontvankelijk is, omdat appellant niet heeft toegelicht waarom de uitspraak van de rechtbank onjuist zou zijn. Er waren geen bijzondere omstandigheden aanwezig die een inhoudelijke beoordeling rechtvaardigen.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en hoefde de minister geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter J.H. van Breda op 27 juli 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.