ECLI:NL:RVS:2026:4297

Raad van State

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
202504678/1/A3
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArbeidstijdenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet tijdige betaling griffierecht

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde aan appellante een bestuurlijke boete van €7.500 op wegens overtreding van de Arbeidstijdenwet. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellante beroep in tegen het besluit van 12 juni 2024. De rechtbank stuurde een nota voor het griffierecht, waarbij aanvankelijk een te laag bedrag werd gevraagd. Appellante betaalde een hoger bedrag dan gevraagd, waarna de rechtbank het teveel betaalde bedrag terugstortte. Later bleek dat het griffierecht voor een vennootschap onder firma hoger was dan voor een natuurlijk persoon, wat leidde tot verwarring en een nieuwe nota.

Appellante betwistte de nieuwe nota en vroeg coulance vanwege de fout van de rechtbank. De rechtbank gaf haar een termijn tot 6 januari 2025 om het resterende griffierecht te voldoen. Appellante betaalde dit echter pas op 5 maart 2025, waarna de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaarde wegens niet tijdige betaling. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij niet de nadelige gevolgen van de fout van de rechtbank zou moeten dragen.

De Raad van State oordeelde dat de verplichting tot betaling van griffierecht volgens artikel 8:41 Awb Pro onverminderd geldt, ook bij een fout van de rechtbank. De rechtbank had appellante ruimschoots gelegenheid gegeven om te betalen en mocht het beroep niet inhoudelijk behandelen zolang het griffierecht niet was voldaan. Het beroep is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard en het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

202504678/1/A3.
Datum uitspraak: 22 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd in [plaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 16 juli 2025 in zaak nr. 24/5019 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Procesverloop
Bij besluit van 26 januari 2024 heeft de minister aan [appellante] een bestuurlijke boete opgelegd van € 7.500,00.
Bij besluit van 12 juni 2024 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 juli 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 8 juli 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. W.M. Everwijn, rechtsbijstandverlener in Capelle aan den IJssel, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       De minister heeft bij het besluit van 26 januari 2024, gehandhaafd bij het besluit van 12 juni 2024, aan [appellante] een bestuurlijke boete opgelegd van € 7.500,00 wegens een overtreding van de Arbeidstijdenwet.
2.       [appellante] heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 12 juni 2024. De rechtbank heeft [appellante] hierop een nota voor het griffierecht toegezonden van € 187,00. [appellante] heeft vervolgens een betaling van € 240,00 gedaan, waarna de rechtbank het te veel betaalde griffierecht van € 53,00 heeft teruggestort. Op 8 november 2024 heeft de rechtbank aan [appellante] een nota gestuurd om € 184,00 aan griffierecht te betalen. Bij e-mail van 14 november 2024 heeft [appellante] opheldering gevraagd over deze nota. De rechtbank heeft bij e-mail van 20 november 2024 daarop geantwoord dat [appellante] het hoge tarief griffierecht van € 371,00 moet betalen. Omdat [appellante] al € 187,00 had voldaan, moest nog € 184,00 aan griffierecht worden geheven. [appellante] heeft vervolgens bij e-mail van dezelfde dag haar onbegrip over de gang van zaken uitgesproken. De rechtbank heeft daarna bij e-mail van 27 november 2024 uitgelegd dat per ongeluk het griffierecht voor een natuurlijk persoon was geheven en dat voor een vennootschap onder firma zoals [appellante] een hoger tarief geldt. De rechtbank heeft haar excuses aangeboden voor de ontstane verwarring. [appellante] heeft daarna bij e-mail van 28 november 2024 bezwaar gemaakt tegen de nota van het te betalen griffierecht. Volgens [appellante] moet erop kunnen worden vertrouwd dat nota’s van de rechtbank kloppen. [appellante] heeft ook verzocht de nota niet te hoeven betalen tot na de zitting zodat zij op de zitting haar bezwaar tegen de nota kan onderbouwen. De rechtbank heeft bij brief van 7 december 2024 [appellante] nogmaals in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen. Zij heeft [appellante] hiervoor vier weken de tijd gegeven, wat betekent dat [appellante] uiterlijk op 6 januari 2025 het griffierecht moet hebben voldaan. Bij brief van 9 december 2024 heeft de rechtbank [appellante] nogmaals uitgelegd waarom het hogere tarief griffierecht moet worden betaald en erop gewezen dat het beroep niet inhoudelijk zal worden behandeld als het griffierecht niet tijdig wordt betaald.
3.       [appellante] heeft op 5 maart 2025 het resterende griffierecht betaald. De rechtbank heeft vastgesteld dat [appellante] het griffierecht daarmee niet binnen de gestelde betalingstermijn heeft voldaan. Volgens de rechtbank is het niet op tijd betalen van het resterende griffierecht niet verschoonbaar. Dat [appellante] niet direct bereid was het griffierecht te betalen omdat de rechtbank een fout had gemaakt, is volgens de rechtbank geen goede reden om niet tijdig te betalen. De rechtbank heeft daarom het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Hoger beroep
4.       [appellante] betoogt dat zij niet de nadelige gevolgen van de fout van de rechtbank zou moeten hoeven dragen. [appellante] had van de rechtbank enige coulance verwacht.
5.       Uit artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt de verplichting om griffierecht te betalen voor het indienen van een beroepschrift. Uit het vijfde lid volgt dat het griffierecht binnen vier weken na verzending van de mededeling van de griffier dient te zijn betaald. Als het griffierecht niet tijdig is betaald, dan is het beroep volgens het zesde lid niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest.
5.1.    [appellante] heeft aanvankelijk geweigerd het resterende griffierecht te betalen, omdat de rechtbank in eerste instantie een lager griffierecht had geheven en zij meent dat ze op de juistheid van dit bericht mocht afgaan. Dat de rechtbank een fout heeft gemaakt, ontslaat [appellante] evenwel niet van de verplichting om het overeenkomstig artikel 8:41 van Pro de Awb verschuldigde griffierecht te betalen. Voor een vennootschap onder firma, zoals [appellante], geldt het hogere tarief. De rechtbank mag een onjuiste nota herstellen en heeft terecht van [appellante] verlangd dat zij het gehele bedrag zou betalen voordat zij zou overgaan tot een inhoudelijke behandeling van het beroep. De rechtbank heeft [appellante] ruimschoots in de gelegenheid gesteld om het resterende griffierecht te betalen. Al tijdens de e-mailcorrespondentie in november 2024 tussen [appellante] en de rechtbank had het [appellante] duidelijk moeten zijn dat zij nog griffierecht moest betalen. Daarna heeft zij vanaf de herinnering op 7 december 2024 nog vier weken de tijd gehad, tot 6 januari 2025, om het resterende bedrag te betalen. Door dit welbewust niet tijdig, maar pas op 5 maart 2025 te doen, heeft [appellante] het risico aanvaard dat de rechtbank haar beroep niet-ontvankelijk zou verklaren, wat ook is gebeurd. De Afdeling ziet in wat [appellante] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de zaak alsnog inhoudelijk zou moeten worden beoordeeld.
5.2.    Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank zal worden bevestigd.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dijkshoorn
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026
735-1104