ECLI:NL:RVS:2026:4297
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet tijdige betaling griffierecht
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde aan appellante een bestuurlijke boete van €7.500 op wegens overtreding van de Arbeidstijdenwet. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellante beroep in tegen het besluit van 12 juni 2024. De rechtbank stuurde een nota voor het griffierecht, waarbij aanvankelijk een te laag bedrag werd gevraagd. Appellante betaalde een hoger bedrag dan gevraagd, waarna de rechtbank het teveel betaalde bedrag terugstortte. Later bleek dat het griffierecht voor een vennootschap onder firma hoger was dan voor een natuurlijk persoon, wat leidde tot verwarring en een nieuwe nota.
Appellante betwistte de nieuwe nota en vroeg coulance vanwege de fout van de rechtbank. De rechtbank gaf haar een termijn tot 6 januari 2025 om het resterende griffierecht te voldoen. Appellante betaalde dit echter pas op 5 maart 2025, waarna de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaarde wegens niet tijdige betaling. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij niet de nadelige gevolgen van de fout van de rechtbank zou moeten dragen.
De Raad van State oordeelde dat de verplichting tot betaling van griffierecht volgens artikel 8:41 Awb Pro onverminderd geldt, ook bij een fout van de rechtbank. De rechtbank had appellante ruimschoots gelegenheid gegeven om te betalen en mocht het beroep niet inhoudelijk behandelen zolang het griffierecht niet was voldaan. Het beroep is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard en het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.