ECLI:NL:RVS:2026:4279

Raad van State

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
202406931/1/R1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 110a Wet geluidhinderArt. 3.30 Wet ruimtelijke ordeningArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 4.6 Invoeringswet OmgevingswetArt. 3.9 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestemmingsplan Hoofddorp Hoofdweg 875 met hogere geluidswaarden niet in strijd met bedrijfsvoering en beleid

Het college stelde hogere geluidswaarden vast voor het bestemmingsplan Hoofddorp Hoofdweg 875, dat de bouw van zes nieuwe woningen mogelijk maakt naast een bestaande woning. De maatschap, exploitant van een snijbloemenbedrijf op een aangrenzend perceel, betoogde dat het plan haar bedrijfsvoering zou belemmeren vanwege te korte afstand tot de woningen en overschrijding van richtafstanden uit de VNG-brochure.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college terecht uitging van een richtafstand van 10 meter voor een gemengd gebied, passend bij de locatie. Akoestisch onderzoek van M+P, gebaseerd op de representatieve bedrijfssituatie uit 2011, toonde aan dat aan de geluidsnormen werd voldaan en dat de bedrijfsvoering niet wordt beperkt. Het onderzoek van GeluidBuro, dat hogere geluidbelasting aannam, werd onvoldoende onderbouwd geacht.

Verder werd geoordeeld dat het plan niet in strijd is met de Deelstructuurvisie Hoofddorp 2030 en de Omgevingsvisie Haarlemmermeer 2024. De cultuurhistorische bezwaren en zorgen over verlies van erfgoed werden niet gegrond verklaard, mede omdat het plangebied al een woonbestemming had en geen archeologisch onderzoek vereist was. Het beroep tegen de omgevingsvergunning werd eveneens ongegrond verklaard, omdat het bestemmingsplan het toetsingskader vormde en geen aparte gronden tegen de vergunning waren aangevoerd.

Uitkomst: Het beroep tegen het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard, waardoor het plan blijft gelden en de woningen mogen worden gebouwd.

Uitspraak

202406931/1/R1.
Datum uitspraak: 22 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], en haar maten [maat A] en [maat B], gevestigd en wonend in Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer (de maatschap en anderen),
appellanten,
en
1.       de raad van de gemeente Haarlemmermeer,
2.       het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer,
verweerders.
Procesverloop
Bij besluit van 8 oktober 2024 heeft het college voor het bestemmingsplan "Hoofddorp Hoofdweg 875" hogere waarden als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder vastgesteld.
Bij besluit van 10 oktober 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Hoofddorp Hoofdweg 875" vastgesteld.
Bij besluit van 1 november 2024 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van zes woningen op de locatie Hoofdweg 875 in Hoofddorp.
Deze besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
De maatschap en anderen hebben beroep ingesteld tegen het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning.
De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend.
De maatschap en anderen en de raad en het college hebben nadere stukken ingediend.
ROW Vastgoed heeft een nadere uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op de zitting behandeld op 9 april 2026, waar de maatschap en anderen, vertegenwoordigd door [maat A], [maat B], [gemachtigde], en mr. G.C.M. Schipper, advocaat in Heemstede, en het college en de raad, vertegenwoordigd door mr. Y.H.M. Huisman, zijn verschenen. Voorts is ter zitting ROW Vastgoed, vertegenwoordigd door ir. R.J.N. Willemse, ir. J. Spakman, ir. O. Wierenga en mr. M.A. Grapperhaus, advocaat in Amsterdam, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Het ontwerpplan is op 21 december 2023 ter inzage is gelegd. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 28 december 2020. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wro en de Wabo, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Toetsingskader voor het bestemmingsplan
2.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Inleiding
3.       Het plan maakt maximaal zeven woningen mogelijk op het perceel Hoofdweg 875 in Hoofddorp. Eén daarvan is een bestaande woning. De omgevingsvergunning is verleend voor de bouw van zes woningen op dit perceel. ROW Vastgoed is initiatiefnemer van deze ontwikkeling.
Het plan ligt binnen de geluidszone van de Hoofdweg oostzijde (N520) en de Hoofdweg westzijde. Bij één woning wordt de grenswaarde overschreden. Om dat toch mogelijk te maken heeft het college een hogere grenswaarde vastgesteld.
4.       De maatschap exploiteert een onderneming voor de teelt van snijbloemen en snijheesters op het perceel aan de [locatie] dat grenst aan het plangebied. De maatschap kan zich niet met het plan verenigen, omdat het volgens haar zal leiden tot een belemmering in haar bedrijfsvoering. [maat A] en [maat B] wonen ook aan de [locatie].
Ingetrokken beroepsgrond
5.       De maatschap en anderen hebben hun beroepsgrond dat eerdere correspondentie over het plan in de voorbereidingsfase is genegeerd, ter zitting ingetrokken.
Beperking bedrijfsvoering
6.       De maatschap en anderen betogen dat het plan zal leiden tot een belemmering in de bedrijfsvoering van de maatschap. In dat verband voeren zij aan dat niet wordt voldaan aan de aanbevolen richtafstand van 30 m zoals opgenomen in de brochure "Bedrijven en milieuzonering, editie 2009" van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG-brochure). Volgens hen is bij het bepalen van de richtafstanden niet uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden van het plan. Ook in de toelichting bij het bestemmingsplan "Hoofddorp Nassaupark" wordt uitgegaan van een afstand van 30 m, terwijl het plan dat nu ter beoordeling staat uitgaat van slechts 10 m. De maatschap en anderen voeren onder verwijzing naar het rapport "Akoestisch onderzoek V1.0" van 24 oktober 2024 (akoestisch onderzoek van GeluidBuro), aan dat deze afstand tussen de geplande woningen en het bedrijfsperceel te kort is.
6.1.    De raad heeft voor de beoordeling of in een aanvaardbar woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied kan worden voorzien, in eerste instantie aangesloten bij de richtafstanden uit de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van 2009 (de VNG-brochure). Daarbij is de raad uitgegaan van een gemengd gebied en milieucategorie 2 gelet op de activiteiten en de bedrijfssituatie van de maatschap. De richtafstand voor een gemengd gebied is in dit geval 10 m.
De Afdeling stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat wordt voldaan aan de richtafstand van 10 m. Wel is in geschil welke omgevingstype ter plaatse bestaat en daarmee of die 10 m wel de juiste norm is. De VNG-brochure kent twee omgevingstypen, het ene is een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype, zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied. De richtafstanden tot gevoelige bestemmingen in bijlage 1 van de VNG-brochure zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in zo’n type omgeving. Het andere omgevingstype is een gemengd gebied, zoals met een matige tot sterke functiemenging, of met lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid of met een ligging direct langs de hoofdinfrastructuur.
De raad mocht uitgegaan van de richtafstanden van de VNG-brochure voor een gemengd gebied. Dat in de toelichting bij het bestemmingsplan "Hoofddorp Nassaupark" wordt uitgegaan van 30 m, doet daar niet aan af. In de eerste plaats is een plantoelichting juridisch niet bindend. Voor het aanmerken van een gebied als gemengd gebied in de zin van de VNG-brochure is doorslaggevend of er verschillende functies aanwezig zijn. Dat doet zich hier voor, omdat in het gebied verschillende functies voorkomen, zoals sportaccommodaties, bedrijven en woningen. Verder ligt het plangebied langs de Hoofdweg oostzijde (N520). De raad mocht daarom uitgaan van de aanbevolen richtafstand voor een gemengd gebied, in dit geval dus 10 m.
6.2.    Ondanks dat wordt voldaan aan de aanbevolen richtafstand van 10 m, heeft de raad aan het plan het "Akoestisch onderzoek [appellante], [locatie] te Hoofddorp" van 15 december 2022 (akoestisch onderzoek van M+P), ten grondslag gelegd, omdat er vanuit de maatschap en anderen zorgen zijn geuit over de gevolgen van het plan voor de bedrijfsvoering. In het akoestisch onderzoek van M+P is onderzoek verricht naar de geluidbelasting van het agrarisch bedrijf dat de maatschap exploiteert. Er is getoetst aan de standaardgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer (het Activiteitenbesluit), waarbij de bedrijfssituatie is bepaald op grond van de melding die de maatschap heeft ingediend.
Er zijn overdrachtsberekeningen uitgevoerd naar de geplande woningbouw. Uit de berekeningen blijkt dat voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en voor de maximaal optredende geluidspieken wordt voldaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit.
Verder is in het akoestisch rapport ook getoetst aan de richtwaarden van de VNG-brochure. Daarbij zijn de drie stappen uit de VNG-brochure doorlopen. In het akoestisch onderzoek van M+P wordt geconcludeerd dat voor de nieuw te bouwen woningen wordt voldaan aan de richtafstand uit de VNG-brochure, dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat het bedrijf op de [locaie] door de toekomstige woningen niet wordt beperkt in zijn bedrijfsactiviteiten.
6.3.    Tussen partijen is niet in geschil dat de representatieve bedrijfssituatie in dit geval moet aansluiten bij de bestaande bedrijfsvoering van de maatschap. Wel verschillen partijen van mening over de omvang van de bestaande bedrijfsactiviteiten. Het akoestisch onderzoek van M+P en het akoestisch onderzoek van GeluidBuro komen tot verschillende conclusies op basis van verschillende uitgangspunten.
In het akoestisch onderzoek van M+P is uitgegaan van dezelfde bedrijfssituatie als bij de melding van de maatschap aan de Omgevingsdienst uit 2011.
De maatschap en anderen stellen dat de representatieve bedrijfssituatie niet de bedrijfsvoering is die in 2011 is gemeld. Voor de representatieve bedrijfssituatie is in het akoestisch onderzoek van GeluidBuro uitgegaan van wat de maatschap aan activiteiten ter plaatse heeft opgegeven. In tabel 2.2 van dat laatste onderzoek zijn de maatgevende geluidbronnen van de representatieve bedrijfssituatie weergegeven. Daarop nader doorgevraagd op de zitting was de maatschap niet eenduidig over de activiteiten die ter plaatse volgens haar plaatsvinden en de daarbij behorende geluidbronnen. Zo kon ter zitting niet duidelijk worden verklaard voor welke functie of activiteit de "Bestelwagen eigen" uit de tabel, waarvoor 20 verkeersbewegingen is opgenomen, wordt gebruikt. Daarnaast wijkt het aantal verkeersbewegingen van 40 in het akoestisch onderzoek van GeluidBuro ook aanzienlijk af van de verkeersbewegingen die zijn genoemd in de schets van de bedrijfsvoering die de maatschap bij haar zienswijze heeft overgelegd, te weten, minder dan 20. De Afdeling ziet in wat over en weer is aangevoerd onder de streep aanleiding om te oordelen dat in het akoestisch onderzoek van M+P voor wat betreft de representatieve bedrijfssituatie mocht worden uitgegaan van de melding uit 2011. Daarbij acht de Afdeling ook van belang dat uit de stukken blijkt dat de Omgevingsdienst op 15 maart 2019 een controle heeft uitgevoerd, waarbij getoetst is of het bedrijf voldoet aan de regels van het Activiteitenbesluit. Toen is ook vastgesteld dat de bedrijfssituatie nog in overeenstemming met de melding uit 2011 was.
Daarom is de Afdeling van oordeel dat het akoestisch onderzoek van GeluidBuro onvoldoende twijfel zaait over de juistheid van het akoestisch onderzoek van M+P dat aan het plan ten grondslag is gelegd. De Afdeling ziet, onder verwijzing naar rechtsoverweging 6.2, geen aanleiding voor het oordeel dat het plan zal leiden tot een belemmering in de bedrijfsvoering van de maatschap. Wat de maatschap en anderen op de zitting hebben opgemerkt, namelijk dat een bouwwerk voor mantelzorg in de tuinen mogelijk is, maakt dit niet anders. Daarbij is van belang dat deze locatie in het vorige bestemmingsplan voor een groot deel van het plangebied ook een woonbestemming had en dat plan vergunningvrije bebouwing ook niet uitsloot. Dit betekent dat de maatschap en anderen onder het vorige planologisch regime al rekening moesten houden met de mogelijkheid dat op de perceelsgrens kon worden voorzien in mantelzorg. Als de Afdeling dit plan zou vernietigen zou dat vorige plan herleven en zouden de maatschap en anderen dus op dit punt worden geconfronteerd met dezelfde eventuele beperkingen.
Het betoog slaagt niet.
Deelstructuurvisie Hoofddorp 2030 (Deelstructuurvisie)
7.       De maatschap en anderen betogen dat het plan in strijd is met de Deelstructuurvisie. Zij wijzen erop dat, anders dan de raad stelt, deze visie het toetsingskader is voor alle ruimtelijke plannen in Hoofddorp en dat in de kaart die is opgenomen in de Deelstructuurvisie zowel haar bedrijfslocatie als de locatie van het plangebied zich op gepaste afstand bevindt van alle woonbebouwing in de omgeving. Die afstand wordt ook gewaarborgd, omdat beide locaties juist niet als woningbouwgebied in de Detailhandelsvisie zijn aangemerkt, aldus de maatschap.
7.1.    De Afdeling stelt voorop dat de raad erkent dat de Deelstructuurvisie actueel beleid is. Verder stelt de Afdeling vast dat op de kaart die in de Deelstructuurvisie is opgenomen, de bedrijfslocatie van de maatschap en het plangebied niet zijn aangewezen als een ontwikkelgebied voor woningbouw. Dit maakt echter niet dat sprake is van strijd met de Deelstructuurvisie. Daarbij is van belang dat in de Deelstructuurvisie staat dat deze geen blauwdruk is, maar een inspiratiekader. In tegenstelling tot een bestemmingsplan heeft een structuurvisie geen rechtstreekse doorwerking waar burgers mee te maken krijgen. De structuurvisie spreekt dan ook niet over verboden, vergunningen en verplichtingen, maar geeft inzicht in de voorgenomen ontwikkelingsrichting van de gemeente, zo is vermeld in de Deelstructuurvisie. De uitgangspunten van de Deelstructuurvisie moeten in acht worden genomen bij het opstellen en actualiseren van bestemmingsplannen. Indien wordt afgeweken van de Deelstructuurvisie, zal dit goed gemotiveerd moeten worden, zo staat verder in de Deelstructuurvisie.
In paragraaf 3.4.2 van de plantoelichting staat dat in de Deelstructuurvisie de gronden direct aansluitend aan het projectgebied aangewezen zijn als gebied voor mogelijke ontwikkelingen. Voor een deel zijn deze ontwikkelingen inmiddels uitgevoerd. Het bouwplan sluit volgens de plantoelichting in breder perspectief aan op de Deelstructuurvisie. De raad heeft toegelicht dat in de Deelstructuurvisie diverse grotere locaties zijn benoemd voor woningbouw, zoals de wijken Nassaupark en Tudorpark. Het plangebied maakt deel uit van het bestemmingsplan en de woonwijk over de Nassaupark waarin de afgelopen 10 jaar 190 woningen zijn gebouwd. Ten zuiden daarvan ligt de wijk Tudorpark waarin recentelijk 1.300 woningen zijn gebouwd. Hoewel het plangebied zelf niet is aangewezen als onderdeel van die grotere bouwlocaties, sluit deze volgens de raad daar wat omgeving betreft op aan. Ondanks het geringe aantal woningen dat dit plan mogelijk maakt, zijn deze woningen gelet op het grote tekort aan nieuwbouwwoningen passend en wenselijk. De beperkte omvang van de locatie in verhouding tot het hogere abstractieniveau van de visie verklaart volgens de raad dat deze locatie niet is opgenomen. De raad heeft voldoende toegelicht waarom in dit geval woningen worden mogelijk gemaakt op een locatie die in de Deelstructuurvisie niet is aangewezen als een ontwikkelgebied voor woningbouw. Voor het oordeel dat sprake is van strijd met de Deelstructuurvisie ziet de Afdeling geen aanleiding.
Het betoog slaagt niet.
Omgevingsvisie Haarlemmermeer 2024 (Omgevingsvisie)
8.       De maatschap en anderen betogen dat het plan niet in overeenstemming is met de gemeentelijke Omgevingsvisie. Volgens hen wordt de maatschap met dit plan beperkt in de uitbreidingsmogelijkheden van haar agrarische onderneming door woningen mogelijk te maken op een afstand van 10 m, terwijl de Omgevingsvisie uitgaat van het bieden van planologische duidelijkheid en het beleid gericht is op een economisch sterke agrarische sector en een vitaal platteland in balans met de omgeving. Dat het bedrijfsperceel in een stedelijk gebied ligt, maakt niet dat de genoemde uitgangspunten in de Omgevingsvisie niet relevant zijn, omdat deze zo’n beperking niet kent en zich richt op alle agrarische bedrijvigheid ongeacht de locatie, aldus de maatschap en anderen.
8.1.    De Omgevingsvisie is bedoeld om de gemeente Haarlemmermeer te helpen de juiste afwegingen te maken en zuinig en zorgvuldig met de ruimte om te gaan. In de Omgevingsvisie staat dat het beleid "De agrarische sector in perspectief (2013)" is gericht op een economisch agrarische sector en vitaal platteland in balans met haar omgeving. Agrarische ondernemers bepalen zelf welke keuzes in hun bedrijfsvoering nodig zijn. Daarbij worden zij gefaciliteerd door het bieden van planologische duidelijkheid en (stimuleren van) investeringen in de ruimte (verbindingen, beheer openbare ruimte en natuur), zo staat in de Omgevingsvisie. Dat de Omgevingsvisie van dit laatste uitgaat, betekent op zichzelf nog niet dat het plan hiermee in strijd is. Verder zijn in de Omgevingsvisie geen afstanden opgenomen, waarmee rekening moet worden gehouden. Voor zover de maatschap en anderen betogen dat dit plan de uitbreidingsmogelijkheden van de maatschap beknot, verwijst de Afdeling wat hiervoor onder 6.3 is overwogen.
Daarom ziet de Afdeling in wat de maatschap en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het plan niet in overeenstemming is met de Omgevingsvisie.
Het betoog slaagt niet.
Cultuurhistorische waarden
9.       De maatschap en anderen betogen dat het plan strijd oplevert met de cultuurhistorie van de omgeving van het plangebied. Onder verwijzing naar passages uit de Omgevingsvisie en de Visie Polderlinten wijzen zij erop dat de Hoofdweg en Hoofdvaart juist worden beschouwd als een open, agrarisch en landschappelijk waardevol polderlandschap. Het perceel van de maatschap was volgens hen altijd rondom vrij in het akkerland aanwezig en is herkenbaar ingetekend op de kaart "identiteit en herkenbaarheid" die is opgenomen in de Deelstructuurvisie. Met dit plan worden de landschappelijke karakteristiek en de openheid en ruimtebeleving van de polderstructuur aangetast, wat in strijd is met de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie 2018 van de provincie Noord-Holland, aldus de maatschap en anderen.
9.1.    Dat de Omgevingsvisie, de Visie Polderlinten en de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie 2018 uitgaan van het behoud van het polderlandschap en polderlinten betekent op zichzelf nog niet dat het plan geen doorgang kan vinden. Het plangebied is omgeven door onder meer woningen. Weliswaar is de Hoofdweg een polderlint, maar in de Visie polderlinten wordt het deel van het plangebied aangewezen als stedelijk context/woon- en werkgebied en worden woningen niet uitgesloten. Dat wordt voorzien in woningen, betekent op zichzelf ook niet dat de polderlint niet kan worden versterkt.
Verder is het perceel van de maatschap en anderen op de kaart "identiteit en herkenbaarheid" uit de Deelstructuurvisie weliswaar aangegeven met een lichtgroene kleur om erven en boerderijen aan te geven, maar dit betekent ook niet dat woningen niet zijn toegestaan. In de Deelstructuurvisie staat tenslotte ook dit: "Om de identiteit en herkenbaarheid van Hoofddorp te vergroten willen we cultuurhistorische elementen versterken, ontmoetingsplekken creëren, herkenbare routes en gebouwen stimuleren." De Deelstructuurvisie gaat juist uit van het gebruik van oude boerderijen, kerken en gebouwen voor andere doeleinden, zoals wonen, door middel van bestemmingswijzigingen.
Voor zover de maatschap en anderen hebben gewezen op de Nota beleid cultureel Erfgoed Haarlemmermeer, moet worden gezegd dat die op 5 maart 2020 is vervallen.
Daarom ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan strijd oplevert met de cultuurhistorie van de omgeving van het plangebied en ook niet met de door de maatschap en anderen genoemde stukken.
Het betoog slaagt niet.
Cultureel erfgoed
10.     De maatschap en anderen betogen dat het plan zal leiden tot onherstelbaar verlies van cultureel erfgoed, wat zich niet verdraagt met de Omgevingsvisie en de Deelstructuurvisie. Daarover voeren zij aan dat aan de rand van het perceel waarop de woningen zullen worden gebouwd zich een oude waterput bevindt die bij de bouw van de woningen zal worden gesloopt. Deze waterput heeft vroeger deel uitgemaakt van het erf van de boerderij van de familie en is volgens hen zeer waarschijnlijk een van de weinige, nog intact zijnde erfputten in de Haarlemmermeer.
10.1.  Volgens paragraaf 5.3.2 van de plantoelichting zijn er geen aardkundige monumenten en waarden en archeologische monumenten en waarden aanwezig. Het plangebied ligt in een gebied met een archeologische onderzoeksplicht bij plannen van 10.000 m² en groter. Aangezien de omvang van de bodemverstorende activiteit niet groter is dan 10.000 m² is er geen archeologisch onderzoek nodig, vermeldt de plantoelichting hierover.
Op de kaart "identiteit en herkenbaarheid" uit de Deelstructuurvisie zijn op of grenzend aan de locatie ook geen cultuurhistorische elementen, plekken of lijnen aanwezig.
Daarom ziet de Afdeling in wat is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het plan zal leiden tot onherstelbaar verlies van cultureel erfgoed. De passages uit de Omgevingsvisie en de Deelstructuurvisie waar de maatschap en anderen naar verwijzen, leiden niet tot een ander oordeel, omdat deze passages algemeen van aard zijn en - kort gezegd - gaan over het belang van het behoud van cultuurhistorische waarde en het erfgoed van de polder.
Het betoog slaagt niet.
Relativiteit
11.     Voor zover in deze uitspraak is geoordeeld dat een beroepsgrond faalt is niet uitdrukkelijk op de toepassing van artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht ingegaan. De Afdeling heeft zich in die situaties niet uitgesproken over de vraag of dat artikel aan vernietiging van het bestreden besluit in de weg zou hebben gestaan.
Conclusie bestemmingsplan
12.     Gelet op het voorgaande is het beroep, voor zover het is gericht ten het bestemmingsplan, ongegrond. Dit betekent dat het plan blijft gelden.
Omgevingsvergunning
13.     Anders dan de raad ter zitting heeft gesteld, blijkt uit het beroepschrift dat de maatschap en anderen beroep hebben ingesteld tegen de omgevingsvergunning. Het bestemmingsplan vormde het toetsingskader voor de omgevingsvergunning. Zoals hiervoor is overwogen, is het beroep tegen het bestemmingsplan ongegrond. De maatschap en anderen hebben geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de omgevingsvergunning. Alleen al om die reden is het beroep, voor zover gericht tegen de omgevingsvergunning, ook ongegrond. Dit betekent dat de woningen er mogen komen.
Proceskosten
14.     De raad en het college hoeven geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. van Helvoort, griffier.
w.g. Verburg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Helvoort
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026
877