ECLI:NL:RVS:2026:4189
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen weigering verblijfsvergunning asiel
Verzoeker heeft bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke bij besluit van 19 september 2024 is afgewezen. Hiertegen heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 12 juni 2026 het beroep ongegrond verklaarde. Verzoeker stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening beoordeeld. Verzoeker vroeg om te worden beschermd tegen uitzetting totdat op het hoger beroep is beslist en om opvang en verstrekkingen te ontvangen. De voorzieningenrechter oordeelde dat op dit moment geen terugkeerbesluit geldt en dat het niet aannemelijk is dat de Afdeling de uitspraak van de rechtbank zal vernietigen.
Gezien de belangen van verzoeker en de minister is besloten geen voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is daarom afgewezen en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan op 20 juli 2026 door voorzieningenrechter D.A. Verburg.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt afgewezen.