ECLI:NL:RVS:2026:4186
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H. van Breda
- N. Verheij
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen bewaring op grond van Dublinverordening en beoordeling rechtmatigheid
De minister van Asiel en Migratie stelde betrokkene op 21 februari 2026 in bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, de zogenaamde Dublinbewaring. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, oordeelde dat de maatregel onrechtmatig was omdat de overdrachtstermijn volgens haar was verlopen, en beval opheffing van de bewaring met schadevergoeding.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte geen rekening hield met de rechtmatigheid van het besluit tot verlenging van de overdrachtstermijn, dat onherroepelijk was geworden. Hierdoor was de bewaring op dat moment rechtmatig.
De Raad beoordeelde vervolgens de overige beroepsgronden van betrokkene, waaronder de rechtmatigheid van de staandehouding, de toepassing van zware en lichte gronden voor bewaring, en de proportionaliteit van de maatregel. Geen van deze gronden slaagde. De minister had de bewaring voldoende gemotiveerd en betrokkene had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat een lichter middel volstond.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank, en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De bewaring van betrokkene is rechtmatig en het beroep wordt ongegrond verklaard.