ECLI:NL:RVS:2026:4182
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting in asielprocedure
Verzoeker heeft bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke op 13 februari 2026 is afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker tegen deze afwijzing op 10 juni 2026 ongegrond. Verzoeker stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 17 juli 2026 besloten om de voorlopige voorziening toe te wijzen. Dit houdt in dat verzoeker niet wordt uitgezet totdat het hoger beroep is beslist. Tevens is de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, die geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De voorzieningenrechter motiveert dat het hoger beroep nader onderzoek vergt en dat de procedure voor de voorlopige voorziening zich niet leent voor inhoudelijke beoordeling. Daarom is gekozen voor een voorlopige maatregel om onomkeerbare gevolgen te voorkomen. De uitspraak is gedaan in het openbaar en ondertekend door de voorzieningenrechter en griffier.
Uitkomst: Verzoeker wordt beschermd tegen uitzetting totdat het hoger beroep is beslist en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.