ECLI:NL:RVS:2026:416

Raad van State

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
202600099/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening voor tentamenvoorzieningen bij functiebeperking

Verzoeker volgt sinds september 2025 de bachelor Rechtsgeleerdheid aan de Universiteit van Amsterdam en heeft vanwege Non-Verbal Learning Disabilities (NLD) voorzieningen aangevraagd voor tentamens, waaronder een voorleeshulp met koptelefoon en een digitale wettenbundel. De examencommissie wees deze verzoeken af, omdat voorleeshulp alleen bij visuele beperkingen wordt toegestaan en het gebruik van een digitale wettenbundel een onrechtvaardig voordeel zou opleveren.

Verzoeker stelde een voorlopige voorziening in om deze voorzieningen alsnog te mogen gebruiken bij tentamens op 9 en 23 februari 2026. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een functiebeperking heeft, maar dat nadere medische informatie nodig is voor de bodemprocedure. Voorlopig werd het gebruik van de voorzieningen toegestaan, waarbij de examencommissie het tentamenresultaat pas mag bekendmaken als onherroepelijk is vastgesteld dat verzoeker recht heeft op de voorzieningen.

De voorzieningenrechter vond dat het gebruik van een niet-doorzoekbare digitale wettenbundel geen onrechtvaardig voordeel oplevert en dat de voorzieningen feitelijk kunnen worden aangeboden. Hiermee wordt voorkomen dat verzoeker studievertraging oploopt, terwijl het belang van de examencommissie bij objectieve toetsing wordt gewaarborgd. De examencommissie werd tevens veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen waardoor verzoeker tentamens mag maken met een voorleeshulp en een niet-doorzoekbare digitale wettenbundel.

Uitspraak

202600099/1/A2.
Datum uitspraak: 23 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend in [woonplaats],
verzoeker,
en
de Examencommissie van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit van Amsterdam,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 21 oktober 2025 heeft de examencommissie de aanvraag van [verzoeker] om bij tentamens gebruik te mogen maken van een voorleeshulp (met koptelefoon) en een digitale wettenbundel afgewezen
Tegen dit besluit heeft [verzoeker] administratief beroep bij het college van beroep voor de examens ingesteld.
[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De examencommissie heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 20 januari 2026, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. G.T.P.J. Bremmers, advocaat in Sittard, en de examencommissie, vertegenwoordigd door mr. dr. A.F. Salomons, aanwezig via videoverbinding, en mr. E.A. Jousma, zijn verschenen.
Overwegingen
1.       Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.       [verzoeker] volgt sinds 1 september 2025 de bacheloropleiding Rechtsgeleerdheid aan de Universiteit van Amsterdam. Hij heeft bij de examencommissie vanwege Non-Verbal Learning Disabilities (NLD) verschillende tentamenvoorzieningen aangevraagd.
3.       Het verzoek om gebruik te maken van een voorleeshulp (met koptelefoon) is afgewezen, omdat dit alleen wordt toegestaan bij een visuele beperking. Het verzoek om gebruik te maken van een digitale wettenbundel is afgewezen, omdat het leren werken met wettenbundels en de systematiek hiervan doorgronden een van de pijlers gedurende de hele rechtenstudie is. Daarnaast biedt gebruik van een digitale wettenbundel volgens de examencommissie een niet te rechtvaardigen voordeel tegenover andere studenten.
4.       [verzoeker] heeft op 9 februari 2026 en 23 februari 2026 tentamens, waarbij hij gebruik wenst te maken van de aangevraagde tentamenvoorzieningen.
5.       Alle betrokken belangen afwegend, zal de voorzieningenrechter het gebruik van een voorleeshulp of -software (met koptelefoon) en een niet-doorzoekbare digitale wettenbundel toewijzen, met dien verstande dat de examencommissie slechts gehouden is het resultaat van de tentamens bekend te maken als onherroepelijk is vast komen te staan dat [verzoeker] vanwege zijn functiebeperking recht heeft op gebruikmaking van de aangevraagde tentamenvoorzieningen. De voorzieningenrechter baseert zijn oordeel op het navolgende.
6.       [verzoeker] heeft met de overgelegde medische verklaring van 25 januari 2016, opgesteld door GZ psycholoog en psychtherapeut E.H.A. Meurs, voorlopig voldoende aannemelijk gemaakt dat hij in elk geval een functiebeperking heeft. Uit de thans beschikbare informatie blijkt echter nog onvoldoende welke concrete belemmeringen [verzoeker] door de functiebeperking in zijn huidige studie ondervindt en welke voorzieningen noodzakelijk zijn om deze belemmeringen weg te nemen. Daartoe is nader onderzoek vereist en naar het oordeel van de voorzieningenrechter ligt het op de weg van [verzoeker] om hierover nadere (medische) informatie te verstrekken. Dit vergt echter een nadere inhoudelijke beoordeling, die in de bodemprocedure moet plaatsvinden. Dat neemt niet weg dat de voorzieningenrechter bij de beoordeling van dit verzoek ervan uitgaat dat er sprake is van een functiebeperking.
7.       De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat wanneer het gebruik van een digitale wettenbundel wordt beperkt tot het lezen van de tekst en deze niet doorzoekbaar is, gegeven de beperking van [verzoeker], dit geen voordeel oplevert ten opzichte van andere studenten. Verder gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat de gevraagde voorzieningen feitelijk kunnen worden aangeboden. Door het voorlopig toestaan van de gevraagde voorzieningen bij de aankomende tentamens wordt in ieder geval voorkomen dat [verzoeker] onomkeerbare studievertraging oploopt als gevolg van zijn gestelde functiebeperking. Tegelijkertijd wordt het belang van de examencommissie bij het objectief kunnen toetsen van kennis, inzicht en vaardigheden van [verzoeker] voldoende gewaarborgd, omdat zij slechts gehouden is het resultaat van de tentamens bekend te maken als in de bodemprocedure onherroepelijk is komen vast te staan dat [verzoeker] recht heeft op de aangevraagde tentamenvoorzieningen.
8.       De slotsom is dat het verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen.
9.       De examencommissie moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        wijst het verzoek toe;
II.       treft de voorlopige voorziening, inhoudende dat de examencommissie [verzoeker] in de gelegenheid moet stellen om de tentamens van 9 februari 2026 en 23 februari 2026 te maken met een voorleeshulp of -software met een koptelefoon en een niet-doorzoekbare digitale wettenbundel;
III.      bepaalt dat de examencommissie slechts gehouden is het resultaat van de tentamens bekend te maken als onherroepelijk is vast komen te staan dat [verzoeker] vanwege een functiebeperking recht heeft op gebruikmaking van de aangevraagde tentamenvoorzieningen;
IV.      veroordeelt de Examencommissie van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit van Amsterdam tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
V.       gelast dat de Examencommissie van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit van Amsterdam aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 54,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. C. Kouidar, griffier.
w.g. Daalder
voorzieningenrechter
w.g. Kouidar
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2026
1120