ECLI:NL:RVS:2026:4141
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling inzageverzoek persoonsgegevens op grond van de Wet politiegegevens
De korpschef van politie wees een inzageverzoek van een betrokkene af op grond van de Wet politiegegevens (Wpg). De betrokkene verzocht om inzage in de verwerking van zijn persoonsgegevens, waaronder het aantal raadplegingen van de basisregistratie personen (brp) en de redenen daarvoor.
De rechtbank vernietigde het besluit van de korpschef omdat deze onvoldoende inzicht had gegeven in de aard van de brp-bevragingen en het inzageverzoek te beperkt had opgevat. De korpschef stelde hoger beroep in en wees het inzageverzoek opnieuw af met een nadere motivering.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het hoger beroep ongegrond is. De korpschef had het verzoek ruimer opgevat en toegelicht dat automatische en gerichte bevragingen plaatsvinden, maar het verzoek om inzage in bepaalde documenten en een onafhankelijke controle viel buiten de reikwijdte van het hoger beroep. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en de korpschef wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van de korpschef wordt ongegrond verklaard en het eerdere besluit van de rechtbank bevestigd.