ECLI:NL:RVS:2026:4129

Raad van State

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
202306123/1/R2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 8:51d AwbArt. 8:58 AwbArt. 8:69a AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling bestemmingsplan Buitengebied Sint-Michielsgestel derde actualisatie met deels vernietiging

De raad van de gemeente Sint-Michielsgestel stelde op 29 juni 2023 het bestemmingsplan "Buitengebied Sint-Michielsgestel, 3e actualisatie" vast, waarin onder meer bouwinitiatieven en planologische aanpassingen voor het buitengebied zijn opgenomen. Diverse appellanten en een vereniging maakten bezwaar tegen onderdelen van het plan, waaronder de bouw van een Ruimte voor Ruimte-woning, de uitbreiding van een bouwvlak voor een lelieteeltbedrijf, de plaatsing van zonnepanelen, en de planbegrenzing voor agrarische percelen.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde de beroepen en oordeelde dat het plan in grote lijnen rechtmatig is vastgesteld. Wel werd vastgesteld dat een bepaling in artikel 3.1 van de planregels onzorgvuldig was geformuleerd, namelijk de passage over de bedrijfsvoering "die geheel of in overwegende mate in niet in gebouwen plaatsvindt". Deze tekst bevatte een kennelijke verschrijving en moest worden gecorrigeerd. De Afdeling vernietigde dit onderdeel van het besluit en paste de tekst aan in de uitspraak.

Verder werd geoordeeld dat het plan op het punt van de zonnepanelen op het perceel van appellant sub 3 niet zorgvuldig was voorbereid, omdat de bestaande situatie niet correct was weergegeven. De raad werd opgedragen dit binnen 26 weken te herstellen. De overige beroepen, onder meer over schaduwhinder, privacy, gezondheidsrisico's, geluidhinder, planbegrenzing en het vertrouwensbeginsel, werden ongegrond verklaard. De raad werd tevens veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant sub 2 en anderen.

De uitspraak bevatte een einduitspraak voor de meeste appellanten en een tussenuitspraak voor appellant sub 3, met een opdracht tot herstel van het plan. De raad moet de uitspraak binnen vier weken verwerken in het elektronisch vastgestelde plan en de uitkomst communiceren aan de betrokkenen.

Uitkomst: Het bestemmingsplan wordt grotendeels bevestigd, maar een onderdeel van de planregels wordt vernietigd en moet worden hersteld; daarnaast wordt een tussenuitspraak gedaan voor een planonderdeel betreffende zonnepanelen.

Uitspraak

202306123/1/R2.
Datum uitspraak: 15 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak, onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in het geding tussen:
1.       [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] (samen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), wonend in Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel,
2.       [appellant sub 2] en anderen, allen wonend in Berlicum, gemeente Sint-Michielsgestel,
3.       [appellant sub 3], wonend in Berlicum, gemeente Sint-Michielsgestel,
4.       [appellant sub 4], wonend in Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel,
5.       [appellant sub 5], wonend in Gemonde, gemeente Sint-Michielsgestel,
6.       [appellant sub 6], wonend in Berlicum, gemeente Sint-Michielsgestel,
7.       de vereniging Het Groene Hart Brabant, gevestigd in de gemeente Boxtel,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Sint-Michielsgestel,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 29 juni 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Sint-Michielsgestel, 3e actualisatie" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en de vereniging beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
Een aantal appellanten en de raad hebben nadere stukken ingediend.
[partij A], [partij B] en [partij C] en [partij D], hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 8 april 2026, waar [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 2], bijgestaan door mr. S.C.A. Nuijen, advocaat in Nijmegen, en dr. M. van den Berg, [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], vertegenwoordigd door mr. T.M.A. Verhoeven, advocaat in Boxtel, [appellant sub 6], bijgestaan door mr. R.A.M. Verkoijen, advocaat in Helmond, de vereniging, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.M. van Gorp en P. Smulders, zijn verschenen. Verder zijn op zitting [partij E] en [partij F], [partij D], vertegenwoordigd door mr. R.A.M. Verkoijen, advocaat in Helmond, [partij B], [partij G] en [partij H], mr. R.A.M. Verkoijen, advocaat in Helmond, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 23 december 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Voorgeschiedenis
2.       In het bestemmingsplan "Buitengebied, tweede actualisatie" uit 2018 is de mogelijkheid opgenomen voor de oprichting van parapluhooibergen. In de tussenuitspraak van 30 januari 20202, ECLI:NL:RVS:2020:317, heeft de Afdeling met toepassing van de bestuurlijke lus de raad de opdracht gegeven om te motiveren waarom het aantal parapluhooibergen uit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar is en waarom geen gebruiksregels in het plan zijn opgenomen voor parapluhooibergen. Hierop heeft de raad met het besluit van 24 september 2020 ter uitvoering van de tussenuitspraak het plan gewijzigd vastgesteld.
In de einduitspraak van 6 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1018, heeft de Afdeling hierover definitief uitspraak gedaan. Over de parapluhooibergen heeft de Afdeling overwogen dat de aanpassingen die zijn gedaan in het bestemmingsplan naar aanleiding van de tussenuitspraak van 30 januari 2020, ten onrechte alleen zijn opgenomen voor de agrarische bestemmingen en niet voor de bestemming "Wonen". De Afdeling heeft daarom met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb aan de raad de opdracht gegeven om een nieuw besluit te nemen, waarbij nieuwe bouw- en gebruiksregels voor parapluhooibergen worden vastgesteld. Daarnaast moet de raad alsnog inzichtelijk maken waarom het aantal in het bestemmingsplan opgenomen parapluhooibergen uit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar is.
De raad heeft ter uitvoering van die opdracht het voorliggende bestemmingsplan vastgesteld. De raad heeft bij deze actualisatie een aangepaste regeling over de parapluhooibergen in het plan opgenomen. Behalve voor de agrarische bestemmingen, zijn de regels voor bouw- en gebruik voor parapluhooibergen ook voor de bestemming "Wonen" opgenomen. Deze regels zijn opgenomen in artikel 23.2.5, aanhef en onder f, van de planregels voor bouwen en in artikel 23.5, aanhef onder h, van de planregels voor het gebruik. Het gebruik van een parapluhooiberg als verblijfsruimte wordt in dit artikel aangemerkt als strijdig gebruik. Dit sluit aan op gebruiksregels onder agrarische enkelbestemmingen. Omdat alle parapluhooibergen binnen een bouwvlak liggen, zijn de bouwregels voor de parapluhooibergen in de agrarische bestemmingen verplaatst naar het artikel voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde binnen het bouwvlak. Voor de bestemming "Wonen" was dit al op deze manier geregeld. Verder heeft de raad ter onderbouwing van de regeling over de parapluhooibergen, bijlage 32 "Bijlagenpakket parapluhooibergen" bij de plantoelichting gevoegd.
Inleiding
3.       Het plan voorziet in een actualisatie voor het buitengebied van de gemeente Sint-Michielsgestel. Beoogd wordt om een aantal concrete, nieuwe ontwikkelingen planologisch in te passen en een aantal gebreken in de verbeelding van concrete bestemmingen te herstellen. De plantoelichting vermeldt dat er 30 concrete bouwinitiatieven in het buitengebied zijn opgenomen in dit plan. De raad heeft er bewust voor gekozen om deze los van elkaar staande, nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen van verschillende initiatiefnemers te verzamelen in één nieuw bestemmingsplan. Hierdoor kan het bestemmingsplanproces efficiënter worden doorlopen en worden de kosten per initiatiefnemer beperkt. De plantoelichting vermeldt dat het plan dus geen integrale herziening voor het hele buitengebied is en dat de beleidsmatige aanpassingen daarom beperkt blijven. Met dit plan is volgens de plantoelichting niet bedoeld om nieuw beleid van de hogere overheden vast te leggen, maar om de concrete initiatieven zonder vertraging in het bestemmingsplanproces op te nemen. Daarnaast biedt het plan mogelijkheden om foutjes en onvolkomenheden uit het geldende bestemmingsplan te herstellen. Deze zijn met name aan het licht gekomen bij de toetsing van aanvragen om een omgevingsvergunning. Er worden voor een aantal locaties in het buitengebied ambtelijke wijzigingen doorgevoerd in de verbeelding van concrete bestemmingen. Veelal gaat het om het herstellen van onbedoelde gebreken in de verbeelding van het moederplan of één van de latere actualisatieplannen. Verder zijn er planologisch-juridische verbeteringen doorgevoerd in de regels, zoals het verwijzen naar de juiste artikelen in de planregels.
Het bestemmingsplan voorziet onder meer in de bouw van een Ruimte voor Ruimte-woning aan de [locatie 1] in Den Dungen. [appellant sub 1] woont aan de [locatie 2]. Hij vreest onder meer voor schaduwhinder en verlies aan privacy vanwege deze Ruimte voor Ruimte-woning aan de [locatie 1].
Het beroep van [appellant sub 2] en anderen richt zich tegen het plandeel dat ziet op het perceel [locatie 3] in Berlicum. Op dat perceel wordt een rundveehouderij geëxploiteerd. Ook zijn op het perceel bedrijfsgebouwen voor de opslag en stalling van machines en materialen aanwezig.
In het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Sint-Michielsgestel" heeft het perceel [locatie 3] de enkelbestemming "Agrarisch" en de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 4". Verder heeft het perceel de gebiedsaanduidingen "historisch landschappelijk gebied" en "reconstructiewetzone - verwevingsgebied".
[partij A] heeft een teeltbedrijf op een andere locatie en is eigenaar van het perceel [locatie 3]. Ten behoeve van de lelieteelt wil hij op het perceel een spoelinstallatie, waterbassins en opslag van teeltmateriaal realiseren.
Het voorliggende plan maakt dit mogelijk door het bouwvlak van 1,1 hectare naar 1,5 hectare te vergroten. Ook zijn de functieaanduidingen "specifieke vorm van agrarisch - grondgebonden teeltbedrijf" en "specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning" aan delen van het perceel toegekend.
[appellant sub 2] en anderen zijn omwonenden. Zij maken zich zorgen over de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen en de risico’s daarvan voor hun woon- en leefklimaat als gevolg van de door het bestemmingsplan mogelijk gemaakte opslag en het spoelen van bloembollen op het perceel.
[appellant sub 3] woont op het perceel [locatie 4] in Berlicum. Hij wenst dat het bouwvlak op het perceelsdeel aan de noordzijde wordt aangepast, zodat de aanwezige zonnepanelen binnen het bouwvlak komen te liggen. Hij is het niet eens met het bestemmingsplan, omdat het bouwvlak die zonnepanelen nu niet omvat. [appellant sub 3] beroept zich op het vertrouwensbeginsel.
[appellant sub 4] woont op het perceel [locatie 5]. Hij is het niet eens met het bestemmingsplan, omdat voor zijn woning en voor het perceel [locatie 6] geen locatiespecifiek spuitzone-onderzoek is uitgevoerd.
[appellant sub 5] is eigenaar van het agrarische perceel aan De Hogert, kadastraal bekend als gemeente Sint-Michielsgestel, sectie O, nummer 678. Hij is het niet eens met het bestemmingsplan, voor zover de door hem gewenste wijzigingen voor zijn perceel niet zijn opgenomen in het bestemmingsplan. [appellant sub 5] wenst dat voor zijn perceel de bestemming en aanduidingen voor natuur worden verwijderd.
[appellant sub 6] is eigenaar van het perceel [locatie 7] in Berlicum. Hij is het niet eens met het bestemmingsplan, voor zover de door hem gewenste wijziging voor de percelen [locatie 8] en [locatie 7] niet is meegenomen in het bestemmingsplan. [appellant sub 6] wenst dat voor deze percelen de bouwvlakken worden verplaatst en vergroot, zo dat daar de bouw van twee woningen met bijgebouwen is toegestaan.
Het beroep van de vereniging heeft betrekking op een aantal bouwplannen en op een aantal begripsomschrijvingen en bepalingen uit de planregels. Het bestemmingsplan leidt volgens de vereniging tot een onaanvaardbare verstening in het buitengebied, wat negatieve gevolgen heeft voor de natuur, het landschap en de cultuurhistorie.
Ingetrokken beroepsgronden
4.       Op de zitting hebben [appellant sub 2] en anderen hun beroepsgronden tegen het bestemmingsplan over de omgevingsdialoog, de noodzaak voor de bouwvlakvergroting, archeologie, stikstof en verkeersbewegingen ingetrokken.
Goede procesorde
5.       Ter motivering van eerder ingenomen standpunten kunnen nieuwe argumenten worden aangevoerd en kan nieuw bewijs worden ingediend, tenzij dat in strijd is met de goede procesorde. De goede procesorde stelt dus grenzen aan de mogelijkheid om in een lopende procedure nieuwe argumenten of nieuw bewijs in te brengen. Dat geldt ook als het nog meer dan tien dagen duurt voordat de zitting is, zoals geregeld in artikel 8:58 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Afdeling hanteert twee vragen om te beoordelen of de goede procesorde wordt geschonden. De eerste vraag is of voor de overige partij(en) te weinig tijd resteert om zich er inhoudelijk over uit te laten. De tweede vraag is of de zaak moet worden aangehouden met als gevolg een onwenselijke of onaanvaardbare vertraging van de procedure in het licht van de belangen van de overige partij(en) en een goede rechtspleging. Onder dat laatste valt ook de voorbereiding van de zitting door de bestuursrechter. Bij de invulling van deze twee vragen speelt onder meer een rol of het bewijsmiddel eerder had kunnen worden ingediend, de omvang van het bewijsmiddel, de complexiteit ervan en de deskundigheid die vereist is om daar adequaat op te reageren.
5.1.    [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 1] hebben op 27 maart 2026 onderscheidenlijk 26 maart 2026 omvangrijke stukken ingediend met daarin nieuwe beroepsgronden en nieuwe argumenten ter motivering van eerder aangedragen beroepsgronden. Zij hebben deze nieuwe beroepsgronden en nieuwe argumenten al eerder naar voren kunnen brengen. De raad heeft te weinig tijd gehad om zich voor de zitting inhoudelijk uit te laten over deze beroepsgronden en argumenten. Ook de Afdeling is door het laat aanvoeren van deze beroepsgronden en argumenten belemmerd in de voorbereiding van de zitting. De Afdeling laat deze beroepsgronden en argumenten dan ook buiten beschouwing wegens strijd met de goede procesorde.
Toetsingskader
6.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Beroep van [appellant sub 1]
7.       [appellant sub 1] woont aan de [locatie 2] in Den Dungen. Hij is het niet eens met het bestemmingsplan, voor zover dat de bouw van een Ruimte voor Ruimte-woning op het perceel [locatie 1] in Den Dungen mogelijk maakt. Dit perceel ligt achter het perceel [locatie 9] in Den Dungen, en is kadastraal bekend als gemeente Sint-Michielsgestel, sectie G, nummer 758 (hierna: [locatie 1]). In het plan is aan het perceel [locatie 1] gedeeltelijk de bestemming "Wonen" en de aanduiding "bouwvlak" toegekend.
[appellant sub 1] voert eerst aan dat er ten onrechte geen dialoog heeft plaatsgevonden over het voornemen voor de beoogde bouw van de woning aan de [locatie 1].
[appellant sub 1] betoogt verder dat de beoogde woningbouwlocatie op het perceel [locatie 1] nadelige effecten heeft op het cultuurhistorische en landschappelijke karakter van het straatje. Hij voert in dit verband aan dat de bouwlocatie niet als zoeklocatie voor woningbouw is weergegeven in de gemeentelijke Structuurvisie. Ook betoogt hij dat de beoogde woningbouwlocatie het open landschap onaanvaardbaar aantast.
[appellant sub 1] betoogt dat het plan leidt tot onaanvaardbare schaduwoverlast bij zijn perceel vanwege de toegestane woning aan de [locatie 1], omdat de afstand van ongeveer 10 m van die woning tot de bebouwing op zijn perceel te kort is. De gemeenschappelijke grens en de groentetuin op zijn perceel komen daardoor in de schaduw te liggen. Ook leidt de toegestane woning tot een onaanvaardbare aantasting van privacy bij zijn perceel.
[appellant sub 1] betoogt, onder verwijzing naar het landschappelijke inrichtingsplan, dat het plan voorziet in de aanplant van bomen op een afstand van 1,50 m van de erfgrens. Dit is in strijd met het Burgerlijk Wetboek; op grond daarvan mogen de bomen niet binnen een afstand van 2 m van de erfgrens worden aangeplant, zo brengt [appellant sub 1] naar voren.
7.1.    Initiatiefnemer [partij C] heeft op 17 juli 2024 een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het bouwen van een vrijstaande woning aan de [locatie 1].
Met het besluit van 15 augustus 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sint-Michielsgestel de aangevraagde omgevingsvergunning verleend. Met het besluit van 14 april 2025 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, maar de omgevingsvergunning in stand gelaten en daarbij ook een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit verleend. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft bij uitspraak van 25 juli 2025 het door [appellant sub 1] tegen het besluit van 14 april 2025 ingestelde beroep ongegrond verklaard. [appellant sub 1] heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld, bij de Afdeling bekend onder zaaknummer 202505023/1/R2. De Afdeling heeft nog niet op dit hoger beroep beslist.
-Omgevingsdialoog
7.2.    Over het betoog dat geen dialoog over het voornemen voor de beoogde bouw van de woning aan de [locatie 1] heeft plaatsgevonden, overweegt de Afdeling als volgt.
Het bieden van inspraak voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan maakt geen onderdeel uit van de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het niet bieden van inspraak in die eerdere fase heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan.
Het betoog slaagt niet.
Overigens heeft de raad erop gewezen dat de initiatiefnemer de omwonenden en belanghebbenden, waaronder ook [appellant sub 1], heeft benaderd over het voornemen om een Ruimte voor Ruimte-woning te bouwen op het perceel [locatie 1] in Den Dungen. Op 1 juni 2022 heeft een gesprek hierover plaatsgevonden tussen de initiatiefnemer en [appellant sub 1]. Van de omgevingsdialoog is een verslag opgesteld. Dit verslag is bijgevoegd als bijlage 8 bij de "Ruimtelijke onderbouwing Woudseweg ong. G758 (achter 7), Den Dungen", dat als bijlage 20 bij de plantoelichting is opgenomen. In het verslag staat dat [appellant sub 1] positief staat tegenover het voornemen om een Ruimte voor Ruimte-woning te realiseren op het perceel [locatie 1] in Den Dungen.
-Zoeklocatie in de Structuurvisie en de onaanvaardbare aantasting van het open landschap en het cultuurhistorische en landschappelijke karakter van het straatje
7.3.    Het initiatief is getoetst aan de "Structuurvisie Buitengebied Sint-Michielsgestel" (2010). In de Structuurvisie zijn zogenoemde zoeklocaties opgenomen. Deze zijn op de verschillende visiekaarten afgebeeld. Op 16 juli 2015 is door de raad de "Aanvulling op de Structuurvisie Buitengebied Sint-Michielsgestel" (2015) vastgesteld. Uit de tekst van de aanvulling volgt dat maatwerk kan worden geleverd als het gaat om 'indirecte Ruimte voor Ruimtewoningen'. Zulke woningen kunnen ook buiten de zoeklocaties, zoals afgebeeld op de visiekaarten, worden toegestaan. De Afdeling heeft bij uitspraak van 6 april 2022, onder 6 tot en met 6.3, geoordeeld over het begrip 'zoeklocatie', zoals opgenomen in de Structuurvisie. De Afdeling heeft overwogen dat met een verwijzing naar de op 16 juli 2015 vastgestelde "Aanvulling op de Structuurvisie" voldoende is gemotiveerd dat ook buiten de zoeklocaties Ruimte voor Ruimtewoningen mogen worden gerealiseerd. De raad heeft onderkend dat het begrip 'zoeklocatie' verduidelijking behoeft. Gelijktijdig met de vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan is daarom een verduidelijking van het begrip 'zoeklocatie' opgenomen, die als aanvulling op de "Structuurvisie Buitengebied Sint-Michielsgestel" is vastgesteld. Die aanvulling is in bijlage 31 bij de plantoelichting opgenomen. Daarin is ingegaan op het begrip ‘zoeklocatie’, als bedoeld in de Structuurvisie van 2010 en de Aanvulling op de Structuurvisie van 2015. Het uitgangspunt voor de zoeklocaties, namelijk dat ook buiten de zoeklocaties 'indirecte' Ruimte voor Ruimtewoningen kunnen worden toegestaan, is niet gewijzigd.
In de aanvulling staat, onder het kopje "Ruimte-voor-ruimte indirect", dat Ruimte voor Ruimtewoningen alleen kunnen worden opgericht op een aanvaardbare locatie binnen een bebouwingsconcentratie. In de Structuurvisie zijn daarnaast zoeklocaties voor woningbouw aangeduid. Maar deze zoeklocaties zijn niet het uitgangspunt voor het oprichten van een Ruimte voor Ruimtewoning. De bebouwingsconcentraties zijn in hun geheel de locaties waar Ruimte voor Ruimtewoningen kunnen worden toegestaan. Indirecte Ruimte voor Ruimtewoningen kunnen dus ook mogelijk worden gemaakt op percelen, die in de Structuurvisie niet zijn voorzien van een aparte aanduiding. Wel moet de beoogde bouwlocatie in overeenstemming zijn met de uitgangspunten, die in de Structuurvisie voor de betreffende bebouwingsconcentratie zijn gesteld. Een nieuwe Ruimte voor Ruimtewoning moet passen binnen de draagkracht en de gebiedskenmerken van de betreffende bebouwingsconcentratie en mag de bestaande ruimtelijke en landschappelijke kwaliteiten niet verstoren. Niet alle percelen binnen een bebouwingsconcentratie zijn dus per definitie geschikt voor woningbouw. Bij elke aanvraag is er sprake van een maatwerkbeoordeling, zo vermeldt de aanvulling.
7.4.    Bij de voorbereiding van het plan heeft de raad beoordeeld of het toevoegen van de woningbouwlocatie op het perceel [locatie 1] passend is en of de bestaande ruimtelijke en landschappelijke kwaliteiten niet worden verstoord. Daarbij is de raad onder meer ingegaan op de openheid van het landschap en op de cultuurhistorische en landschappelijke waarden.
Over de openheid van het landschap heeft de raad erop gewezen dat het perceel [locatie 1] in een bebouwingsconcentratie ligt. Rondom deze bebouwingsconcentratie ligt een open gebied. Op de visiekaart van de Structuurvisie wordt een aantal te behouden doorzichten naar het achterliggende landschap weergegeven. Maar van een te behouden doorzicht bij het perceel is zowel in de Structuurvisie als in de feitelijke situatie geen sprake. Het perceel wordt namelijk omringd door bestaande bebouwing. Landschappelijk gezien gaat het om een doodlopend straatje, waar al woningen aanwezig zijn. De woningbouwlocatie bevindt zich dus niet in een landschappelijk open gebied. Daarom heeft de raad de beoogde woningbouwlocatie op het perceel passend geacht en zich op het standpunt gesteld dat deze niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de openheid van het landschap.
Ook vanuit cultuurhistorisch, landschappelijk en stedenbouwkundig oogpunt heeft de raad het toevoegen van de woningbouwlocatie op het perceel [locatie 1] in het doodlopende straatje passend geacht. Het toevoegen van een enkele woningbouwlocatie heeft volgens de raad geen nadelige effecten op de bestaande situatie en op de cultuurhistorische waarden van het straatje. De woonboerderijen aan de [locatie 10] en [locatie 1] zijn (in bijlage 1 bij de planregels van zowel het voorheen geldende bestemmingsplan als het voorliggende bestemmingsplan) als cultuurhistorisch waardevolle bebouwing aangeduid. Beide woonboerderijen dragen bij aan het cultuurhistorische en landschappelijke karakter van het straatje. De raad heeft erop gewezen dat met het toevoegen van de beoogde woninglocatie op het perceel [locatie 1] het zicht op de woonboerderij aan de [locatie 11] vanaf de doorgaande weg behouden blijft. De raad heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat het toevoegen van de woningbouwlocatie op het perceel [locatie 1] niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het cultuurhistorische en landschappelijke karakter van het straatje.
7.5.    Gelet op het vorenstaande heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling voldoende gemotiveerd dat de omstandigheid dat de beoogde bouwlocatie niet in de Structuurvisie als zoeklocatie is aangeduid, niet leidt tot het oordeel dat de toegestane woningbouw om die reden niet op het perceel [locatie 1] mag plaatsvinden. Ook heeft de raad voldoende inzichtelijk gemaakt dat de beoogde woningbouwlocatie niet in een open landschap ligt en dat met het toevoegen van de woningbouwlocatie aan het straatje geen sprake is van een onaanvaardbare aantasting van het cultuurhistorische en landschappelijke kenmerken van dat straatje. Ook volgt de Afdeling de raad in zijn motivering dat de nieuwe Ruimte voor Ruimtewoning past binnen de draagkracht en de gebiedskenmerken van de betreffende bebouwingsconcentratie en de bestaande ruimtelijke en landschappelijke kwaliteiten niet verstoort. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad daarom het toevoegen van de beoogde woningbouwlocatie op het perceel in zoverre in overeenstemming met de Structuurvisie en ruimtelijk aanvaardbaar mogen vinden.
De betogen slagen niet.
-De afstand van de beoogde woning, schaduwoverlast en privacy
7.6.    Over de afstanden tot de perceelsgrens overweegt de Afdeling als volgt. Voor de bestemming "Wonen" is in de planregels geregeld wat de minimale afstand mag zijn van gebouwen, waaronder woningen en bijgebouwen, tot aan de perceelsgrens. In artikel 23.2.3, aanhef en onder h, van de planregels staat dat de afstand van woningen binnen het bouwvlak minimaal 5 m tot de perceelsgrenzen dient te bedragen. In artikel 23.2.4, aanhef en onder c, van de planregels staat dat voor bijgebouwen binnen het bouwvlak geldt dat de afstand tot de perceelsgrens minimaal 1 m dient te bedragen. Voor de nieuwe woning op het perceel [locatie 1] moet aan deze afstandseisen worden voldaan. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het realiseren van een woning en een bijgebouw op een afstand van meer dan 5 m en minder dan 10 m vanaf de perceelsgrens ruimtelijk aanvaardbaar is. De raad heeft er in dit verband op gewezen dat de afstandseisen voor de bestemming "Wonen" in de planregels sinds het moederplan uit 2013 voor het hele buitengebied gelden. De raad heeft bij de vaststelling van het voorliggende plan geen aanleiding gezien om van die afstandseisen af te wijken. De raad heeft toegelicht dat de keuze om niet af te wijken van de voor het hele buitengebied geldende afstandseisen niet leidt tot strijd met een goede ruimtelijke ordening, wat betreft schaduwoverlast en privacy, bij het perceel van [appellant sub 1].
7.7.    De raad heeft onderbouwd dat geen sprake is van een onaanvaardbare toename van de schaduwwerking bij het perceel van [appellant sub 1] als gevolg van de toegestane woningbouw.
In artikel 23.2.3, aanhef en onder f, van de planregels staat dat de maximale goothoogte van een woning binnen het bouwvlak maximaal 6 m bedraagt. De maximale hoogte van de woning mag maximaal 10 meter bedragen. De minimale afstand van een woning binnen het bouwvlak tot de zijdelingse perceelsgrens moet minimaal 5 meter bedragen. Bij een maximale hoogte van 10 meter en een afstand van minimaal 5 meter tot aan de zijdelingse perceelsgrens, is de schaduwlengte in juni om 12:00 uur in de middag ongeveer 5,30 m (bij een invalshoek van de zon van 62 graden). Dit houdt volgens de raad in dat het perceel van [appellant sub 1] in juni om 12.00 uur in de middag maximaal 0,30 m in de schaduw kan komen te liggen.
Voor bijgebouwen geldt een maximale goothoogte van 3,50 m. In artikel 23.2.4, aanhef en onder f, van de planregels staat dat de maximale hoogte voor bijgebouwen 6 m is. De minimale afstand van bijgebouwen binnen het bouwvlak tot de perceelsgrens moet minimaal 1 m zijn. De schaduwlengte in juni is om 12.00 uur in de middag ongeveer 3,30 m (bij een invalshoek van de zon van 62 graden). Dit houdt volgens de raad in dat het perceel van [appellant sub 1] in juni om 12.00 uur maximaal 2,30 m in de schaduw kan komen te liggen.
De raad heeft er verder op gewezen dat het perceel van [appellant sub 1] aan de noordwestzijde van het perceel van de initiatiefnemer ligt. Vanwege deze ligging neemt de schaduwwerking op het perceel van [appellant sub 1] gedurende de dag slechts beperkt toe. Overigens wijst de raad erop dat de bestaande begroeiing op het perceel van [appellant sub 1] gedurende de dag voor meer schaduwwerking zorgt dan de toegestane woningbouw.
Gelet op het bovenstaande heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt mogen stellen dat de minimale afstandseisen voor hoofd- en bijgebouwen binnen de bestemming "Wonen", als vastgelegd in de planregels, ervoor zorgen dat de schaduwwerking op het perceel van [appellant sub 1] niet onaanvaardbaar toeneemt vanwege de toegestane woningbouw. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich daarom op het standpunt mogen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Het betoog slaagt niet.
7.8.    De raad heeft ook onderbouwd dat geen sprake is van een onaanvaardbare aantasting van privacy bij het perceel van [appellant sub 1] als gevolg van de toegestane woningbouw. De raad wijst erop dat bij de voorbereiding van het plan een belangenafweging heeft plaatsgevonden over de verschillende ruimtelijke aspecten. De raad stelt dat, gelet op de bouwmogelijkheden voor de hoofd- en bijgebouwen binnen de bestemming "Wonen" die in het plan zijn vastgelegd, inclusief de regeling over de hoogte en de afstand tot de perceelsgrenzen, een eventuele aantasting van de privacy bij het perceel van [appellant sub 1] niet zo onevenredig is dat de toegestane woningbouw vanuit ruimtelijk oogpunt onaanvaardbaar is. De raad wijst er verder op dat de bouwmogelijkheden voor het perceel van [partij C] gelden voor het hele buitengebied en dus niet anders zijn dan die voor het perceel van [appellant sub 1] en voor andere omliggende percelen. Ook zijn er al woningen aanwezig in de directe omgeving van het perceel van [appellant sub 1]. De kortste afstand van de omliggende woningen tot de woning van [appellant sub 1] is ongeveer 11 m. Het bouwvlak voor de beoogde woning op het perceel [locatie 1] is voorzien op ongeveer 20 m van de woning van [appellant sub 1].
Gelet op deze omstandigheden heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt mogen stellen dat de met het plan toegestane woningbouw op het perceel [locatie 1] niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de privacy van [appellant sub 1]. Het plan is in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Het betoog slaagt niet.
-Landschappelijke inrichtingsplan, afstand van nieuwe bomen tot de erfgrens
7.9.    Over het betoog dat het landschappelijke inrichtingsplan ten onrechte voorziet in de aanplant van bomen op 1,50 m van de erfgrens overweegt de Afdeling als volgt.
Volgens artikel 5:42, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) mogen bomen niet binnen 2 m en heggen en heesters niet binnen 0,50 meter van de erfgrens staan, tenzij de buren toestemming geven.
In het landschappelijke inpassingsplan is te zien dat de bestaande landschapselementen op het perceel [locatie 1], waaronder de eikenbomen als laanbomen langs de Woudseweg, de solitaire wilgen en de solitaire walnoot, worden behouden. Daarnaast worden enkele solitaire landschapsbomen aangeplant. In het landschappelijke inrichtingsplan is te zien dat er drie solitaire landschapsbomen, aangeduid als C, aan de noordzijde van het perceel zullen worden aangeplant met een onderlinge plantafstand van 8 m. Er zijn in het landschappelijke inpassingsplan voor de nieuwe aanplant geen afstanden tot de perceelgrens vastgelegd. Anders dan [appellant sub 1] betoogt, is in het plan niet vastgelegd dat er bomen worden aangeplant op 1,50 m van de erfgrens. Het plan is op dit punt dus niet in strijd met het BW. Voor zover [appellant sub 1] vreest dat er bomen op 1,50 m van de erfgrens zullen worden aangeplant, wijst de Afdeling erop dat op grond van artikel 5:42, tweede lid, van het BW geldt dat bomen niet binnen 2 m van de perceelsgrens mogen worden aangeplant.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie over het beroep van [appellant sub 1]
7.10.  Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.
Beroep van [appellant sub 2] en anderen
8.       [appellant sub 2] en anderen zijn het niet met het bestemmingsplan eens, voor zover het betreft het plandeel dat ziet op het perceel [locatie 3] in Berlicum. [appellant sub 2] en anderen wonen in de omgeving van het plandeel.
Initiatiefnemer [partij A] is eigenaar van het perceel [locatie 3]. Op het perceel wordt een rundveehouderij geëxploiteerd. Ook zijn op het perceel bedrijfsgebouwen voor de opslag en stalling van machines en materialen aanwezig. [partij A] heeft een teeltbedrijf op een andere locatie. Ten behoeve van de lelieteelt wil hij op het perceel [locatie 3] een spoelinstallatie, waterbassins en opslag van teeltmateriaal realiseren. Het plan maakt dit mogelijk door het bouwvlak van 1,1 hectare naar 1,5 hectare te vergroten.
8.1.    In het bestemmingsplan "Buitengebied Sint-Michielsgestel" had het perceel de bestemming "Agrarisch" en de bestemming "Waarde-Archeologie 4". Het perceel had een bouwvlak van 1,1 hectare.
In het voorliggende bestemmingsplan heeft het perceel ook de bestemming "Agrarisch" en de bestemming "Waarde-Archeologie 4". Het perceel heeft een bouwvlak van 1,5 hectare. Ook zijn in het plan de functieaanduidingen "specifieke vorm van agrarisch - grondgebonden teeltbedrijf" en "specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning" aan delen van het perceel toegekend.
8.2.    [appellant sub 2] en anderen vrezen dat de uitbreiding van het bouwvlak het mogelijk maakt dat ter plaatse een lelieteeltbedrijf wordt opgericht, waarbij gewasbeschermingsmiddelen zullen worden gebruikt. Zij wijzen in dit verband op de opslag van gewasbeschermingsmiddelen, het wassen van bespoten bollen, de afvoer van vervuild spoelwater en de opslag in niet-overdekte waterbassins. [appellant sub 2] en anderen stellen dat zij onaanvaardbare gevolgen zullen ondervinden vanwege het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.
8.3.    De raad wijst erop dat het voorliggende bestemmingsplan geen nieuwe planologische gebruiksmogelijkheden voor het perceel mogelijk maakt. In het geldende plan "Buitengebied Sint-Michielsgestel" was binnen het bestaande bouwvlak al een teeltbedrijf toegestaan. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet voor het perceel alleen in een vergroting van het bouwvlak. De raad wijst erop dat de initiatiefnemer voornemens is het perceel grotendeels te bebouwen. Daardoor kan daar feitelijk geen teelt van lelies plaatsvinden en zullen ter plaatse ook geen gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt.
-Artikel 3.5 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV)
8.4.    [appellant sub 2] en anderen betogen dat de raad ten onrechte niet inzichtelijk heeft gemaakt dat met het plan invulling is gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving, als bedoeld in artikel 3.5 van de IOV. [appellant sub 2] en anderen stellen hiertoe dat bij de planvoorbereiding hierop in het geheel niet is ingegaan. Het plan is daarom in strijd met artikel 3.5 van IOV vastgesteld.
8.5.    In artikel 3.5, tweede lid, staat dat voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving rekening wordt gehouden met zorgvuldig ruimtegebruik, de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering en met meerwaardecreatie.
-Zorgvuldig ruimtegebruik
8.6.    In de ruimtelijke onderbouwing, paragraaf 2.2.1, is de uitbreiding van het bestaande bouwvlak gemotiveerd.
Allereerst is er ruimte nodig voor de opslag van fust. Voor de oogst van de lelies, die op een andere locatie door de initiatiefnemer worden geteeld, wordt gebruik gemaakt van kuubkisten. Per hectare aan teelt van lelies zijn ongeveer 100 kuubkisten nodig. Voor de teelt van 25 hectare aan lelies vanuit de locatie aan de Heikantsehoeve zijn daarmee ongeveer 2.500 kuubkisten nodig. Voor de opslag van deze kisten is ruimte nodig. Daarnaast is voldoende ruimte nodig voor het manoeuvreren om de kisten heen en om deze in en uit te kunnen rijden. In totaal is voor de opslag van fust met daarbij voldoende manoeuvreerruimte ongeveer 1.000 m² aan inpandige ruimte nodig.
Verder is er ruimte nodig voor de spoelinstallatie. Voor het wassen van de bloembollen wordt gebruik gemaakt van inpandige spoelmachines. Deze bestaan uit een stortbak voor de kiepers die de oogst naar de locatie brengen, een spoelmachine en een sorteerspoeler. Achter en naast de machine staan productbanden die de bollen naar de kuubkisten transporteren. De totale afmeting van de spoellijn bedraagt 50 m bij 20 m. Voor de totale spoelinstallatie is eveneens ongeveer 1.000 m² aan inpandige ruimte nodig. Op de locatie is al een loods voor opslag en machineberging aanwezig. Maar deze loods (met een oppervlakte van ongeveer 850 m²) is niet groot genoeg voor de noodzakelijke inpandige voorzieningen (machineopslag, fustopslag en spoelmachine). Daarom is voorzien in een uitbreiding van de loods. De bestaande loods zal aan de achterzijde (noordkant) worden voorzien van een aanbouw. Deze aanbouw zal ongeveer 30 m breed en ongeveer 40 m lang worden (oppervlakte ongeveer 1.200 m²). Samen met de bestaande loods zal daarmee sprake zijn voor voldoende ruimte om de noodzakelijke inpandige voorzieningen op de locatie te kunnen realiseren.
Daarnaast is er ruimte nodig voor de waterbassins. Voor het wassen van de bloembollen wordt gebruik gemaakt van water. Lelies worden met relatief veel grond gerooid om beschadiging van de bollen te voorkomen. Deze grond wordt met de spoelmachines verwijderd. De benodigde hoeveelheid water is ongeveer 200 m³ per uur om de machines goed te kunnen laten werken.
Binnen het bouwperceel is voldoende ruimte om de beoogde uitbreiding van het bouwvlak te realiseren.
In de ruimtelijke onderbouwing, paragraaf 3.2.2.5, is gemotiveerd ingegaan op de in artikel 3.6. van de IOV opgenomen voorwaarden voor zorgvuldig ruimtegebruik. Geconcludeerd wordt dat met de beoogde ontwikkeling daaraan kan worden voldaan. Zo is er bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van een bestaand bouwperceel. De uitbreiding van het bouwvlak binnen het bestaande bouwperceel is mogelijk. Daarnaast wordt de nieuwe bebouwing zo compact mogelijk en binnen het bouwperceel opgericht. Er is met de voorgenomen ontwikkeling, na realisatie daarvan, dus geen sprake van bebouwing buiten het bouwperceel.
-Toepassing van de lagenbenadering
8.7.    In de ruimtelijke onderbouwing, paragraaf 3.2.2.5, staat over de toepassing van de lagenbenadering dat daarop is ingegaan in hoofdstuk 4 "Ruimtelijke- en milieuaspecten". Daarbij is gemotiveerd ingegaan op het aspect bodem in paragraaf 4.1.7, het aspect archeologie in paragraaf 4.3.1, het aspect infrastructuur/verkeer in paragraaf 4.4, het aspect water in paragraaf 4.5, het aspect cultuurhistorie in paragraaf 4.3.2, het aspect gezondheid in de paragrafen over lucht (4.1.3), geluid (4.1.4) en bodem (4.1.7). In de ruimtelijke onderbouwing wordt geconcludeerd dat met de beoogde ontwikkeling geen sprake is van een mogelijke aantasting van de in het gebied (mogelijk) voorkomende waarden en/of functies. Vermeld wordt dat er daarmee geen sprake zal zijn van mogelijke negatieve effecten op de genoemde lagen en/of kenmerken daarvan.
-Meerwaardecreatie
8.8.    In de ruimtelijke onderbouwing staat over de meerwaardecreatie het volgende. Met de beoogde ontwikkeling wordt een grondgebonden agrarisch bedrijf, niet zijnde de veehouderij, uitgebreid. Met de ontwikkeling zal, zoals beschreven in paragraaf 2.2.2, ook worden voorzien in een goede, en bij het gebied passende, landschappelijke inpassing. Hiertoe is een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld. Het voorzien in een goede landschappelijke inpassing is opgenomen als een van de mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering van het landschap, zoals genoemd in artikel 3.9 van de IOV. De ruimtelijke onderbouwing vermeldt dat de beoogde landschappelijke inpassing leidt tot een fysieke verbetering van het landschap en mede daarom is aan te merken als een vorm van meerwaardecreatie. Ook zal het dak van de nieuwe loods constructief geschikt gemaakt worden voor de opwekking van duurzame energie door zonnepanelen. In de ruimtelijke onderbouwing wordt geconcludeerd dat met de beoogde ontwikkeling aldus wordt voorzien in een meerwaardecreatie, als bedoeld in artikel 3.8 van de IOV.
8.9.    Volgens de ruimtelijke onderbouwing wordt met de beoogde ontwikkeling voldaan aan het beginsel van zorgvuldig ruimtegebruik. Ook is er geen sprake van een mogelijke aantasting van de functies en waarden in de verschillende lagen en/of de kenmerken daarvan. Verder voorziet de beoogde ontwikkeling in een meerwaardecreatie. Hiermee is de beoogde ontwikkeling in overeenstemming met de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit, als bedoeld in artikel 3.5 van de IOV.
8.10.  De Afdeling overweegt dat de raad er terecht op wijst dat in de ruimtelijke onderbouwing voor de beoogde ontwikkeling op het perceel [locatie 3], opgenomen als bijlage 3 bij de plantoelichting, uitvoerig is ingegaan op het provinciale beleid, zoals opgenomen in de IOV. In paragraaf 3.2.2 tot en met paragraaf 3.2.2.5 van de ruimtelijke onderbouwing is gemotiveerd uiteengezet dat het plan in overeenstemming is met de relevante bepalingen van de IOV, waaronder artikel 3.5 van de IOV.
Over zorgvuldig ruimtegebruik, de lagenbenadering en de meerwaardecreatie, als bedoeld in artikel 3.6 tot en met 3.8 van de IOV, overweegt de Afdeling dat in de ruimtelijke onderbouwing de beoogde ontwikkeling is getoetst aan de algemene en specifieke regels uit de IOV die op deze ontwikkeling van toepassing zijn. Daarbij is onder meer aandacht besteed aan een veilige en gezonde leefomgeving. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad toepassing heeft gegeven aan het beginsel van zorgvuldig ruimtegebruik, als bedoeld in artikel 3.6 van de IOV, de lagenbenadering als bedoeld in artikel 3.7 van de IOV en aan de meerwaardecreatie als bedoeld in artikel 3.8 van de IOV. De Afdeling ziet in het aangevoerde daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het voorliggende plan op deze punten onvoldoende heeft gemotiveerd of in strijd met de regels in artikel 3.5 van de IOV heeft vastgesteld.
Het betoog slaagt niet.
-Gezondheidsrisico’s
8.11.  [appellant sub 2] en anderen vrezen met name voor een onaanvaardbare verslechtering van de gezondheidsrisico’s als gevolg van het plan. [appellant sub 2] en anderen betogen dat de uitbreiding van het bouwvlak het mogelijk maakt dat ter plaatse een lelieteeltbedrijf wordt opgericht, waarbij gewasbeschermingsmiddelen zullen worden toegepast. Zij wijzen op de opslag van gewasbeschermingsmiddelen, het wassen van bespoten bollen, de afvoer van vervuild spoelwater en de opslag in niet-overdekte waterbassins. Volgens [appellant sub 2] en anderen valt niet uit te sluiten dat omwonenden hierdoor aan gewasbeschermingsmiddelen zullen worden blootgesteld.
8.12.  De Afdeling stelt vast dat de voorzieningenrechter in de uitspraak van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1460, onder 5.3, heeft geoordeeld dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het bestemmingsplan niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden. Het bestaande bouwvlak is ongeveer 1,1 ha groot en grotendeels bebouwd. Binnen dat bouwvlak bevinden zich een aantal stallen waar rundvee wordt gehouden, bedrijfsgebouwen voor opslag en stalling van materiaal, en bedrijfswoningen. Het plan voorziet in een uitbreiding van het bouwvlak naar 1,5 ha. Deze uitbreiding is ingegeven vanuit de wens van de initiatiefnemer om de bouwmogelijkheden ter plaatse te vergroten. Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat extra ruimte nodig is voor onder meer de opslag van fust/kuubkisten en voor de spoelmachines die gebruikt worden voor het wassen van de bloembollen. Hiertoe zal de bestaande loods aan de achterkant worden uitgebreid met een aanbouw. Verder is ruimte nodig voor waterbassins om het water ten behoeve van de spoelmachines op te slaan.
De voorzieningenrechter heeft overwogen dat zowel onder het voorgaande als het huidige planologische regime de mogelijkheid bestond om binnen de agrarische bestemming bloembollen te verbouwen. Het plan is vastgesteld om de bouwmogelijkheden ter plaatse vergroten. Hierdoor is de kans dat op de gronden binnen het bouwvlak bloembollen geteeld gaan worden en gewasbeschermingsmiddelen gebruikt en gespoten gaan worden, niet groter geworden.
Voor zover [appellant sub 2] en anderen erop hebben gewezen dat op het perceel bloemenbollen zullen worden opgeslagen en gespoeld en dat dit mogelijk gezondheidsrisico’s voor de omgeving met zich brengt, heeft de voorzieningenrechter overwogen dat deze activiteiten inpandig zullen plaatsvinden. Wat de waterbassins betreft volgt uit de ruimtelijke onderbouwing, zoals nader toegelicht op de zitting, dat het water dat nodig is voor het spoelen in de bassins wordt gecirculeerd en opnieuw wordt gebruikt als spoelwater. De achtergebleven bezonken grond wordt aan het eind van het seizoen verwijderd en overeenkomstig de toepasselijke regelgeving teruggebracht naar het perceel van herkomst. [appellant sub 2] en anderen hebben geen informatie ingebracht, waaruit volgt dat de geplande activiteiten gezondheidsrisico’s voor omwonenden zullen meebrengen. De raad heeft zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op het standpunt mogen stellen dat niet aannemelijk is dat dit zodanige effecten voor de omgeving oplevert dat geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd ter plaatse van de woningen van [appellant sub 2] en anderen.
De Afdeling ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de voorzieningenrechter. De raad heeft zich, gelet hierop, op het standpunt mogen stellen dat het plan in zoverre ruimtelijk aanvaardbaar is.
Het betoog slaagt niet.
-Geluidhinder
8.13.  [appellant sub 2] en anderen vrezen voor een onaanvaardbare toename van geluidsbelasting en daarmee voor een onevenredige aantasting van hun woon- en leefklimaat als gevolg van de beoogde ontwikkeling.
8.14.  De raad stelt zich onder verwijzing naar de ruimtelijke onderbouwing (paragraaf 4.1.1) op het standpunt dat het plan op dit punt in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De raad heeft op dit punt aangesloten bij de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" uit 2009 (VNG-brochure).
De beoogde ontwikkeling voorziet in de uitbreiding van het bouwvlak voor de bouw van een opslagloods voor een tuinbouwbedrijf. Voor een tuinbouwbedrijf wordt in de VNG-brochure voor geluid een richtafstand van 30 m gehanteerd. Het dichtstbijzijnde gevoelige object, de burgerwoning aan de [locatie 12], bevindt zich op een afstand van ongeveer 43 m (gemeten van bestemmingsvlak tot bestemmingsvlak) en van ongeveer 50 m tot de gewenste loods. Binnen de richtafstand van 30 m zijn er dus geen bestaande woningen of andere gevoelige bestemmingen. Hiermee wordt voor de opslagloods voor het tuinbouwbedrijf aan de gestelde richtafstand voor geluid voldaan. Op het perceel wordt ook een veehouderij geëxploiteerd. Daarvoor wordt in de VNG-brochure voor geluid ook een richtafstand van 30 m gehanteerd. Binnen de richtafstand van 30 m zijn er geen bestaande woningen of andere gevoelige bestemmingen aanwezig, zodat hiermee ook aan de gestelde richtafstand voor geluid wordt voldaan. De raad stelt dat met de beoogde ontwikkeling in zoverre geen onevenredige hinder zal worden veroorzaakt bij gevoelige objecten in de omgeving.
De Afdeling ziet gelet op het vorenstaande in wat is aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat de beoogde ontwikkeling zal leiden tot een onaanvaardbare toename van geluidshinder en daarmee tot een onevenredige aantasting van hun woon- en leefklimaat.
Het betoog slaagt niet.
-Onzorgvuldige voorbereiding
8.15.  [appellant sub 2] en anderen betogen dat de ruimtelijke onderbouwing en de daaraan ten grondslag liggende rapporten onjuist zijn. Zij stellen daartoe dat ten onrechte is uitgegaan van de voormalige agrarische bedrijfsactiviteiten voor een melkveebedrijf op het perceel. Volgens hen is daarvan in de feitelijke situatie geen sprake meer.
8.16.  Bij zijn motivering van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de beoogde ontwikkeling moet de raad uitgaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. Het perceel heeft de bestemming "Agrarisch". In artikel 3.1 van de planregels is opgenomen waarvoor de voor "Agrarisch" aangewezen gronden zijn bestemd. Ter plaatse is agrarische bedrijfsuitoefening toegestaan. In de ruimtelijke onderbouwing staat dat de eigenaar van het perceel vanaf de [locatie 13] een agrarisch bedrijf exploiteert met twee takken, namelijk een melkveehouderij en de teelt van leliebollen. De teelt van leliebollen vindt plaats aan de [locatie 13]. De melkveehouderij blijft op het perceel [locatie 3] bestaan als satellietlocatie van het melkveebedrijf aan de [locatie 13]. De stallen en de loods op het perceel [locatie 3] worden gebruikt voor stalling en opslag. Bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de beoogde ontwikkeling heeft de raad, onder meer bij de aspecten geluid en verkeer, beide agrarische bedrijfstakken betrokken.
De Afdeling overweegt dat de raad onder deze omstandigheden bij de voorbereiding van het plan en de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de beoogde ontwikkeling op het perceel niet alleen uit hoefde te gaan van de bedrijfsactiviteiten van het lelieteeltbedrijf. Gelet op een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden heeft de raad daarbij ook de bedrijfsactiviteiten van de melkveehouderij kunnen betrekken. De Afdeling overweegt dat er, gelet hierop in zoverre geen sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding van het plan.
Het betoog slaagt niet.
-De begripsomschrijving "agrarisch (grond)gebruik" en de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - grondgebonden teeltbedrijf"
8.17.  [appellant sub 2] en anderen betogen dat ten onrechte niet is gemotiveerd waarom ervoor is gekozen om de begripsomschrijving voor "agrarisch (grond)gebruik" op te nemen in de planregels van het voorliggende plan. Het geldende bestemmingsplan "Buitengebied Sint-Michielsgestel" kende deze begripsomschrijving niet. Volgens [appellant sub 2] en anderen is daarom onduidelijk of op grond van het geldende bestemmingsplan 'het telen van gewassen' was toegestaan.
[appellant sub 2] en anderen betogen verder dat artikel 3.1, aanhef en onder p, van de planregels niet duidelijk is geformuleerd. Zij stellen dat onduidelijk is wat hiermee is beoogd.
8.18.  De raad stelt dat met het plan "Buitengebied Sint-Michielsgestel" het telen van gewassen al was toegestaan op de gronden met een agrarische bestemming. De begripsomschrijving voor "agrarisch (grond)gebruik" is in het voorliggende plan opgenomen ter verduidelijking. In de toelichting is hiervoor geen motivering opgenomen, omdat het als een ondergeschikte wijziging wordt beschouwd.
8.19.  In de verbeelding van het voorliggende plan is te zien dat het perceel de bestemming "Agrarisch" en voor een deel van het nieuwe bouwvlak de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - grondgebonden teeltbedrijf" heeft.
In artikel 3.1, aanhef en onder p, van de planregels staat dat de voor "Agrarisch" aangewezen gronden zijn bestemd voor:
p. ter plaatse van de aanduiding "grondgebonden teeltbedrijf", uitsluitend een agrarisch bedrijf in de land- en tuinbouwsector dat zich richt op het telen van gewassen met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in niet in gebouwen plaatsvindt.
8.20.  In de verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied Sint-Michielsgestel" is te zien dat het perceel de bestemming "Agrarisch" heeft.
In artikel 3.1 van de planregels van dat plan staat:
De voor "Agrarisch" aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. een agrarische bedrijfsuitoefening;
b. agrarisch gebruik;
c. een grondgebonden bedrijf;
(…).
In artikel 1.11 staat
"agrarisch bedrijf:
een bedrijf gericht op het voortbrengen van agrarisch producten door middel van:
-het telen of veredelen van gewassen, waaronder begrepen houtteelt, fruitteelt, sierteelt of bloementeelt;
-het houden of fokken van vee, pluimvee of pelsdieren;
nader te onderscheiden in:
-grondgebonden bedrijf;
-glastuinbouwbedrijf;
-niet-grondgebonden bedrijf, niet zijnde intensieve veehouderij;
-intensieve veehouderij;".
In artikel 1.60 staat:
"grondgebonden agrarisch bedrijf:
een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf. Grondgebonden bedrijven zijn in ieder geval: akkerbouw-, fruitteelt- en vollegrondstuinbouwbedrijven en boomteeltbedrijven, waarvan de bomen overwegend rechtstreeks in de grond zijn geplant eventueel in combinatie met teeltondersteunende voorzieningen. Melkveebedrijven zijn doorgaans ook grondgebonden".
8.21.  De Afdeling overweegt dat van de door [appellant sub 2] en anderen gestelde onduidelijkheid of op grond van het geldende bestemmingsplan 'het telen van gewassen' al was toegestaan, geen sprake is. Uit de verbeelding van bestemmingsplan "Buitengebied Sint-Michielsgestel", gelezen in samenhang met de artikelen 3.1, 1.11 en 1.60, van de planregels van dat plan, volgt dat het telen van gewassen op het perceel al was toegestaan.
Het betoog slaagt niet.
8.22.  Over het betoog over de formulering van artikel 3.1, aanhef en onder p, van de planregels van het voorliggende plan overweegt de Afdeling als volgt. In deze bepaling staat dat het gaat om het telen van gewassen met een bedrijfsvoering "die geheel of in overwegende mate in niet in gebouwen plaatsvindt".
De raad heeft op de zitting onderkend dat het plan op dit punt onduidelijk is. De raad heeft toegelicht dat deze bepaling een kennelijke verschrijving bevat; in de passage "in niet in gebouwen" is het eerste woord ‘in’ te veel opgenomen. Bedoeld is in deze bepaling vast te leggen dat het gaat om het telen van gewassen met een bedrijfsvoering "die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt".
Omdat de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven, is het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.
Het betoog slaagt.
Conclusie over het beroep van [appellant sub 2] en anderen
8.23.  Het beroep van [appellant sub 2] en anderen is, gelet op wat is overwogen onder 8.22 van deze uitspraak, gegrond. Het bestreden besluit moet in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb worden vernietigd.
De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het bepaalde onder p. in artikel 3.1 van de planregels als volgt aan te passen:
"p. ter plaatse van de aanduiding "grondgebonden teeltbedrijf", uitsluitend een agrarisch bedrijf in de land- en tuinbouwsector dat zich richt op het telen van gewassen met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt;"
en te bepalen dat deze uitspraak, wat betreft dit planonderdeel, in de plaats treedt van het bestreden besluit, voor zover dat is vernietigd. De Afdeling acht het niet aannemelijk dat derdebelanghebbenden hierdoor in hun belangen worden geschaad.
8.24.  De Afdeling ziet aanleiding om de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening.
Beroep van [appellant sub 3]
9.       [appellant sub 3] woont op het perceel [locatie 4] in Berlicum. [appellant sub 3] is het niet eens met het bestemmingsplan, voor zover het plan niet voorziet in de mogelijkheid om 74 zonnepanelen op zijn perceel te realiseren op de door hem gewenste locatie. De zonnepanelen zijn inmiddels al geplaatst. Ten onrechte is volgens hem de bestaande situatie niet in het plan opgenomen.
9.1.    Met het besluit van 29 november 2018 is aan [appellant sub 3] voor het perceel [locatie 4] een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een zwembad en 74 zonnepanelen, conform de bijbehorende tekening van 28 november 2018.
9.2.    In het voorliggende plan heeft het perceel [locatie 4] de bestemming "Wonen" en de aanduiding "bouwvlak. In de verbeelding van het plan is met de optie luchtfoto te zien dat de zonnepanelen zijn gerealiseerd aan de noordzijde van het perceel en dat deze deels buiten het bouwvlak met de bestemming "Wonen" liggen. De gronden buiten het bouwvlak waar de zonnepanelen zijn gerealiseerd, zijn niet bij het plan betrokken en maken dus geen deel uit van het plangebied van het voorliggende plan. In het bestemmingsplan "Buitengebied Sint-Michielsgestel" hebben die gronden de bestemming "Natuur".
9.3.    De raad heeft zich bij de planvaststelling op het standpunt gesteld dat het perceel [locatie 4] in de verbeelding van het plan in overeenstemming met de vergunde situatie is weergegeven. De raad meent verder dat de zonnepanelen niet zijn geplaatst overeenkomstig de bij de verleende omgevingsvergunning behorende tekening.
Maar op de zitting heeft de raad aangegeven dat hij bereid is om in overleg met [appellant sub 3] het plan op dit punt te herzien op een wijze dat het plan nog steeds in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De raad heeft in dit verband aangegeven dat hij bereid is om de begrenzing van het bouwvlak zo aan te passen dat de bestaande zonnepanelen binnen het bouwvlak vallen en waarbij het bouwvlak niet is geprojecteerd op gronden van derden. De raad heeft aangegeven dat hij hiervoor tijd nodig heeft, omdat de zonnepanelen gedeeltelijk zijn gerealiseerd op gronden met de bestemming "Natuur".
Omdat de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven, is het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.
Het betoog slaagt.
Conclusie over het beroep van [appellant sub 3]
9.4.    Omdat het betoog van [appellant sub 3] slaagt en de raad heeft aangegeven dat hij het plan op dit punt wil herzien, zal de Afdeling hierna, onder 16, aangeven wat dit betekent voor het vervolg van deze beroepsprocedure.
Beroep van [appellant sub 4]
10.     [appellant sub 4] woont op het perceel [locatie 5] in Den Dungen. Hij is het niet met het bestemmingsplan eens, omdat voor zijn woning en voor de beoogde woningen op het perceel [locatie 6] ten onrechte geen locatiespecifiek spuitzoneonderzoek is uitgevoerd. De effecten van het plan op zijn woon- en leefklimaat en op dat van de toekomstige bewoners van het perceel [locatie 6] zijn volgens hem onvoldoende onderzocht. [appellant sub 4] stelt dat de afstand van zijn woning tot het perceel kadastraal bekend als gemeente Sint-Michielsgestel, sectie G, nummer 1376, waar fruitbomen worden geteeld, minder dan 25 meter bedraagt. Ten onrechte is in het plan niets geregeld ter voorkoming van blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen bij zijn woning en bij de woningen op het perceel [locatie 6].
-[locatie 6]
10.1.  Het betoog van [appellant sub 4] over het perceel [locatie 6] gaat over het woon- en leefklimaat van de toekomstige bewoners van dat perceel. [appellant sub 4] beroept zich met zijn betoog op normen die strekken tot bescherming van de belangen van de bewoners van het perceel [locatie 6]. Deze normen strekken kennelijk niet tot bescherming van zijn eigen belangen, maar van de belangen van anderen. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste in de weg staat aan vernietiging van het besluit tot vaststelling van het plan naar aanleiding van de hiervoor genoemde beroepsgrond. De Afdeling ziet daarom af van een inhoudelijke bespreking van die beroepsgrond.
-[locatie 5]
10.2.  [appellant sub 4] woont op het perceel [locatie 5] in Den Dungen. Op de gronden kadastraal bekend gemeente Sint-Michielsgestel, sectie G, nummer 1376, ten oosten van het perceel [locatie 5] van [appellant sub 4], vindt fruitteelt plaats. Het perceel [locatie 5] en de gronden binnen sectie G, nummer 1376, maken geen deel uit van het voorliggende plan en dus ook niet van het plangebied van het voorliggende plan.
De raad heeft erop gewezen dat er met de planvaststelling voor het perceel van [appellant sub 4] planologisch niets verandert. Het voorliggende plan voorziet namelijk niet in een wijziging voor het perceel [locatie 5] en ook niet voor de gronden binnen sectie G, nummer 1376; dat perceel en die gronden liggen buiten het plangebied van het voorliggende plan. Daarom heeft de raad het niet nodig geacht om een locatiespecifiek spuitzoneonderzoek te verrichten voor het perceel [locatie 5].
Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad voor het perceel [locatie 5] ten onrechte geen locatiespecifiek spuitzoneonderzoek heeft verricht of dat de raad in het plan voor dat perceel ten onrechte geen maatregelen heeft getroffen in verband met de fruitteelt op de gronden binnen sectie G, nummer 1376 en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen aldaar.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie over het beroep van [appellant sub 4]
10.3.  Het beroep van [appellant sub 4] is ongegrond.
Beroep van [appellant sub 5]
11.     [appellant sub 5] is eigenaar van het agrarische perceel aan De Hogert, kadastraal bekend als gemeente Sint-Michielsgestel, sectie O, nummer 678. Hij betoogt dat zijn perceel ten onrechte niet is meegenomen in het voorliggende bestemmingsplan en dat de door de raad gekozen planbegrenzing niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Volgens [appellant sub 5] moest in het plan een aantal wijzigingen voor zijn perceel worden opgenomen. [appellant sub 5] stelt namelijk dat zijn perceel een hoge, droge akker is en ten onrechte in het bestemmingsplan "Buitengebied Sint-Michielsgestel" wordt aangeduid als natte natuur. Hij betoogt dat voor zijn perceel de bestemming "Waarde - Natte natuur" en de aanduidingen "beschermingsgebied- natte natuurparel", "leefgebied van amfibieën en reptielen", "leefgebied van kwetsbare soorten" en "beekdal" ten onrechte niet zijn verwijderd bij de vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan.
[appellant sub 5] stelt dat hem dat al in 2020 door de provincie was toegezegd; de provincie namelijk heeft op 8 december 2020 door een kaartaanpassing voor het perceel van [appellant sub 5] de aanduiding als Natuur Netwerk Brabant (NNB) verwijderd. In strijd met het vertrouwensbeginsel zijn deze bestemming en aanduidingen voor natte natuur niet verwijderd bij de vaststelling van het voorliggende plan. [appellant sub 5] wenst door het verwijderen van de genoemde bestemming en aanduidingen ruimere gebruiksmogelijkheden voor zijn perceel te krijgen. Hij heeft toegelicht dat hij zijn agrarische perceel wenst in te richten voor boomteelt.
-Planbegrenzing
11.1.  Het perceel aan De Hogert, kadastraal bekend als gemeente Sint-Michielsgestel, sectie O, nummer 678 is een agrarisch perceel, dat in 2023 door [appellant sub 5] gebruik is voor bietenteelt. Het perceel heeft een oppervlak van ongeveer 3,7 hectare.
Het perceel heeft in het bestemmingsplan "Buitengebied Sint-Michielsgestel" onder meer de bestemming "Waarde - Natte natuur" en de aanduidingen "beschermingsgebied- natte natuurparel", "leefgebied van amfibieën en reptielen", "leefgebied van kwetsbare soorten" en gedeeltelijk de aanduiding "beekdal".
Het perceel valt buiten het plangebied van het voorliggende plan.
11.2.  In de IOV heeft het perceel de aanduidingen "Behoud en herstel van watersystemen" (gedeeltelijk, ongeveer 4.000 m²), "Attentiezone waterhuishouding" en "Groenblauwe mantel".
In artikel 3.32, eerste lid, aanhef en onder b, van de IOV over landschappelijke waarden in de groenblauwe mantel staat dat een bestemmingsplan van toepassing op de Groenblauwe mantel regels stelt ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied.
De raad heeft daar toepassing aan gegeven. In het bestemmingsplan "Buitengebied Sint-Michielsgestel" (vastgesteld op 16 december 2010 en onherroepelijk geworden op 25 januari 2013) is een aanlegvergunningenstelsel opgenomen, waarbij is aangegeven welke werken of werkzaamheden aanlegvergunningplichtig zijn. Dat is gedaan met als doel om te voorkomen dat er waarden verloren gaan. Dit aanlegvergunningenstelsel is nog steeds van toepassing. Het is met het voorliggende bestemmingsplan, de derde actualisatie, inhoudelijk niet gewijzigd.
11.3.  De raad heeft toegelicht dat is afgesproken met zowel de provincie Noord-Brabant als met de twee waterschappen ‘De Dommel’ en ‘Aa en Maas’, dat het voorliggende plan, dat een derde actualisatie in de vorm van een veegplan is, zich niet leent voor een integrale herziening van het gehele buitengebied. In het voorliggende plan zijn dus eventuele wijzigingen in het beleid van de provincie en de waterschappen, daaronder mede begrepen de gewijzigde aanduidingen op de kaarten, niet meegenomen. De raad stelt dat daarom de wens van [appellant sub 5] om de bestemming en aanduidingen voor zijn perceel te wijzigen buiten de reikwijdte van deze actualisatie valt.
11.4.  De raad komt beleidsruimte toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Maar deze ruimte is niet zo groot dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Gelet op wat [appellant sub 5] heeft aangevoerd is de Afdeling van oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing een goede ruimtelijke ordening dient.
De Afdeling betrekt hierbij allereerst dat de raad heeft aangegeven dat er bij de vaststelling van het voorliggende plan bewust voor is gekozen om alleen concrete particuliere initiatieven mee te nemen, voor zover die zijn ingediend vóór juni 2020. De wens van [appellant sub 5] om de bestemming en aanduidingen voor zijn perceel te wijzigen is pas sinds 2023 bekend bij de raad. En verder is niet gebleken van een concreet initiatief voor het perceel van [appellant sub 5], waarmee de raad op het moment van de planvaststelling rekening moest houden. Daarom is het perceel van [appellant sub 5] niet bij het plan betrokken.
De Afdeling betrekt hierbij ook dat de raad als doorslaggevende reden voor de keuze om niet tot de door [appellant sub 5] gewenste wijzigingen voor zijn perceel over te gaan, heeft gegeven dat zo’n afweging alleen integraal kan worden gemaakt naar aanleiding van een ecologische en landschappelijke beoordeling. Met een integrale beoordeling, zoals aangegeven in de nota van zienswijzen, bedoelt de raad dat een gebiedsgerichte afweging moet worden gemaakt waar onderzoek door een deskundige aan ten grondslag ligt. Daarbij wordt voor een groter gebied dan alleen één of meer afzonderlijke percelen beoordeeld of er nog aanleiding is om de dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen te handhaven of dat er aanleiding is om deze bestemmingen/aanduidingen te wijzigen. Omdat het plan geen integrale herziening betreft, heeft de raad geen reden gezien om naar aanleiding van de zienswijze van [appellant sub 5] voor één agrarisch perceel afzonderlijk te beoordelen of de daar geldende dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen moeten worden gehandhaafd of moeten worden gewijzigd.
De Afdeling overweegt verder dat de raad er terecht op heeft gewezen dat het verwijderen van de door [appellant sub 5] genoemde bestemming en aanduidingen er niet toe leidt dat voor zijn perceel geen omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden, zoals bijvoorbeeld het inrichten van zijn perceel voor boomteelt, meer hoeft te worden aangevraagd. Het perceel van [appellant sub 5] heeft namelijk ook de bestemmingen "Agrarisch met waarden Natuur- en landschapswaarden" en "Waarde - Archeologie 2" en de aanduiding "historisch landschappelijk gebied". Uit de aanlegvergunningentabel van het bestemmingsplan "Buitengebied Sint-Michielsgestel" blijkt dat er op grond van de bestemming en "Waarde - Archeologie 2" en de aanduiding "historisch landschappelijk gebied" veel werken en werkzaamheden niet of niet zonder vergunning zijn toegestaan.
Het betoog slaagt niet.
-Vertrouwensbeginsel
11.5.  Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel, moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan, waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja, hoe (stap 1).
Vereist is dat de toezegging, andere uitlating of gedraging afkomstig is van het bevoegde bestuursorgaan of aan het bevoegde bestuursorgaan moet worden toegerekend (stap 2). Van toerekening van een onbevoegde uitlating is sprake, als de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat degene die de uitlating deed of de gedraging verrichtte de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte.
Er is geen sprake van gerechtvaardigde verwachtingen als degene die een beroep op het vertrouwensbeginsel heeft gedaan de relevante feiten en omstandigheden onjuist of onvolledig heeft weergegeven; zij gelet op haar specifieke kennis of deskundigheid had moet beseffen dat de uitlating of gedraging in strijd was met de toepasselijke rechtsregels; de uitlating zo duidelijk in strijd was met de toepasselijke rechtsregels dat zij dit had moeten beseffen; zij besefte of had moeten beseffen dat de uitlating van de ambtenaar ging over een beslissing die buiten de bevoegdheid van het bestuursorgaan lag.
Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen betekent niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Andere belangen, zoals het algemeen belang of de belangen van derden, kunnen zwaarder wegen (stap 3). Bij deze belangenafweging kan ook een rol spelen of betrokkene op basis van de gewekte verwachtingen handelingen heeft verricht of nagelaten als gevolg waarvan zij schade heeft geleden of nadeel heeft ondervonden.
11.6.  Over de omstandigheid dat de provincie op 8 december 2020 door een kaartaanpassing voor het perceel van [appellant sub 5] de aanduiding als NNB heeft verwijderd, heeft de raad erop gewezen dat de provincie de raad hierover niet heeft geïnformeerd. De provincie heeft in een emailbericht aan [appellant sub 5] meegedeeld dat een document, waarin de gemeente op de hoogte wordt gesteld van de herbegrenzing van het NNB, niet aanwezig is in het systeem van de provincie.
Pas in 2023 heeft [appellant sub 5] zich gemeld bij het ambtelijke projectteam voor dit bestemmingsplan voor een informerend gesprek, naar aanleiding van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan "Buitengebied Sint-Michielsgestel, 3e actualisatie". In dit gesprek over het ontwerpplan heeft [appellant sub 5] aangegeven dat hij een aantal wijzigingen wenst voor zijn perceel. Naar aanleiding hiervan heeft [appellant sub 5] een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan ingediend, zodat de door hem gewenste wijziging van de bestemming "Waarde - Natte natuur" en de aanduidingen "beschermingsgebied- natte natuurparel", "leefgebied van amfibieën en reptielen", "leefgebied van kwetsbare soorten" en "beekdal" voor zijn perceel kon worden beoordeeld in de nota van zienswijzen. In de nota van zienswijzen, onder nr. 19.3, heeft de raad daarop uitgebreid gereageerd. De raad heeft uitgelegd dat het al dan niet verwijderen van de bestemming en aanduidingen van het perceel een integrale beoordeling van het gebied rondom de loop van De Dommel vergt. Dit actualisatieplan leent zich daar niet voor.
11.7.  De Afdeling is van oordeel dat met de kaartaanpassing van 8 december 2020 door de provincie geen toezegging is gedaan, waaruit [appellant sub 5] in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat de raad bij de vaststelling van het voorliggende plan de door [appellant sub 5] gewenste wijzigingen van de bestemming en aanduidingen voor zijn perceel zou meenemen, daargelaten het antwoord op de vraag of de raad bij een planvaststelling gebonden zou zijn aan een provinciale toezegging. De Afdeling overweegt verder dat de kaartaanpassing door de provincie geen enkele uitlating of toezegging van de raad bevat, die inhoudt dat met het voorliggende actualisatieplan de bestemming "Waarde - Natte natuur" en de aanduidingen "beschermingsgebied- natte natuurparel", "leefgebied van amfibieën en reptielen", "leefgebied van kwetsbare soorten" en "beekdal" voor het perceel van [appellant sub 5] zullen worden verwijderd.
Het betoog slaagt niet.
11.8.  Omdat niet is voldaan aan de eerste stap van de beoordeling van het vertrouwensbeginsel, komt de Afdeling niet toe aan de beoordeling van de tweede en derde stap van het vertrouwensbeginsel.
Conclusie over het beroep van [appellant sub 5]
11.9.  Het beroep van [appellant sub 5] is ongegrond.
Beroep van [appellant sub 6]
12.     [appellant sub 6] betoogt dat in het bestemmingsplan ten onrechte niet de door hem gewenste ontwikkeling voor de percelen [locatie 8]-[locatie 7] in Berlicum is meegenomen. [appellant sub 6] wenst dat voor die percelen het bestemmingsvlak "Wonen" en de bouwvlakken binnen die bestemming worden verplaatst en vergroot, zodat daar de bouw van twee vrijstaande woningen met bijgebouwen is toegestaan. Deze ruimtelijke ontwikkeling is afgesproken met de raad en ten onrechte niet opgenomen in het plan, zo stelt [appellant sub 6].
12.1.  Op de percelen percelen [locatie 8]-[locatie 7] staat een twee-onder-een-kapper; het betreft één gebouw met daarin twee woningen. [appellant sub 6] is eigenaar van [locatie 7]. [partij I] en [partij J] (hierna: de mede-initiatiefnemer) zijn eigenaar van en wonen aan [locatie 8].
12.2.  Op 10 oktober 2022 is een anterieure overeenkomst voor de ontwikkeling van de percelen [locatie 8]-[locatie 7] gesloten tussen enerzijds de gemeente Sint-Michielsgestel en anderzijds [appellant sub 6] en de mede-initiatiefnemer.
Maar de mede-initiatiefnemer heeft op 5 juni 2023, ongeveer drie weken voor de planvaststelling, aangegeven dat hij zijn plannen niet wil en ook niet kan doorzetten. Uit nader opgehaalde informatie uit het kadaster en gesprekken tussen de gemeente, [appellant sub 6] en de mede-initiatiefnemer is gebleken dat de mede-initiatiefnemer op het moment van ondertekening van de anterieure overeenkomst onder bewind stond. Dit was voor de projectorganisatie van de gemeente nieuwe informatie.
Op 13 juni 2023 is een overleg gevoerd tussen alle betrokken partijen, inclusief de bewindvoerders van de mede-initiatiefnemer, over de anterieure overeenkomst. De bewindvoerders hebben aangegeven dat de mede-initiatiefnemer niet zonder toestemming van de bewindvoerders een overeenkomst kan sluiten. Ook hebben de bewindvoerders erop gewezen dat er geen geld is om de huidige woning van de mede-initiatiefnemer te slopen en een nieuwe woning te herbouwen.
12.3.  De raad stelt dat deze omstandigheden behalve financiële gevolgen, ook gevolgen hebben voor de praktische uitvoering van het plan. Dat is bijvoorbeeld zo wat betreft de sloop van het gehele twee-onder-een-kap-gebouw, de realisatie van het stedenbouwkundig plan en het landschappelijke inpassingsplan, en de aanleg van civieltechnische voorzieningen, zoals de riolering en elektriciteit.
De mede-initiatiefnemer (en namens hem zijn bewindvoerders) heeft aangegeven dat hij de afspraken, die in de anterieure overeenkomst zijn vastgelegd, niet kan nakomen, omdat hij de financiële draagkracht voor zijn eigen bouwplan mist. Daarnaast kan de mede-initiatiefnemer ook niet bijdragen in de gezamenlijke kosten voor de uitvoering van het plan. Verder heeft de mede-initiatiefnemer aangegeven dat hij ook niet wil meewerken aan het verplaatsen van zijn woning naar een ander deel van het perceel, vanwege zijn hobby’s, namelijk houtbewerking en het houden van paarden.
Daarom heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat het plan om financieel-economische redenen niet uitvoerbaar is. Verder heeft de raad erop gewezen dat het plan ook om praktische redenen niet uitvoerbaar is zonder de mede-initiatiefnemer. De praktische onuitvoerbaarheid van het plan ligt in de omstandigheid dat de tweekapper eerst volledig (dus ook de woning van de mede-initiatiefnemer) moet worden gesloopt inclusief de bijgebouwen en dat de verharding moet worden verwijderd, voordat de twee nieuwe, vrijstaande woningen met bijgebouwen kunnen worden gebouwd en de bijbehorende voorzieningen kunnen worden aangelegd.
12.4.  Tussen partijen is in geschil of er een rechtsgeldige anterieure overeenkomst tot stand is gekomen. De Afdeling stelt voorop dat de beantwoording van de vraag of, en zo ja, onder welke omstandigheden een rechtsgeldige overeenkomst tot stand is gekomen in het geval dat een van de partijen op het moment van de ondertekening onder bewind stond en dat de bewindvoerders hebben aangegeven dat de ondertekening achteraf niet alsnog zal worden bekrachtigd, is voorbehouden aan de burgerlijke rechter.
De Afdeling overweegt dat de raad aan zijn besluit om het door [appellant sub 6] gewenste initiatief voor het perceel niet in het plan op te nemen, niet uitsluitend ten grondslag heeft gelegd dat de anterieure overeenkomst volgens hem niet rechtsgeldig is. De raad heeft behalve financieel-economische redenen ook nog andere praktische redenen gegeven waarom de door [appellant sub 6] gewenste ontwikkeling voor het perceel niet is betrokken bij het bestemmingsplan.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich onder deze omstandigheden op het standpunt mogen stellen dat de door [appellant sub 6] gewenste ruimtelijke ontwikkeling om financieel-economische en ook om andere redenen niet uitvoerbaar is. Daarom heeft de raad ervoor mogen kiezen om die ruimtelijke ontwikkeling niet in het voorliggende plan op te nemen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie over het beroep van [appellant sub 6]
12.5.  Het beroep van [appellant sub 6] is ongegrond.
Beroep van de vereniging
13.     Het beroep van de vereniging heeft betrekking op de ruimtelijke ontwikkelingen voor een aantal percelen en op een aantal begripsomschrijvingen en bepalingen uit de planregels. De vereniging betoogt dat het bestemmingsplan daarmee tot een onaanvaardbare toename van verstening in het buitengebied leidt, wat negatieve gevolgen heeft voor de natuur, het landschap en de cultuurhistorie. De vereniging betoogt het plan ten onrechte voorziet in de ruimtelijke ontwikkelingen voor de volgende percelen:
het perceel [locatie 14] in Den Dungen,
het perceel [locatie 3] in Berlicum,
het perceel [locatie 15] in Den Dungen,
het perceel [locatie 16] in Berlicum,
de percelen [locatie 6], [locatie 17], [locatie 18], in Den Dungen,
het perceel [locatie 1], in Den Dungen en
het perceel Zandstraat ongenummerd, kadastraal bekend als gemeente Sint-Michielsgestel, sectie H, nummer 824 in Sint-Michielsgestel.
-Ruimtelijke ontwikkelingen voor de percelen
13.1.  De raad stelt zich, onder verwijzing naar de ruimtelijke onderbouwingen bij de plantoelichting, op het standpunt dat de ontwikkelingen die het plan voor deze percelen mogelijk maakt, ruimtelijk aanvaardbaar zijn. Deze ontwikkelingen leiden volgens de raad niet tot een onaanvaardbare toename van verstening in het buitengebied, maar juist tot een kwaliteitsverbetering van het landschap in het buitengebied. De raad wijst erop dat er in verband met deze ruimtelijke ontwikkelingen ook veel bebouwing, zoals bijvoorbeeld stallen en agrarische bebouwing, wordt gesloopt in het buitengebied. Verder is om de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied te waarborgen steeds voorzien in een landschappelijke inrichting, waarbij onder meer rekening is gehouden met de openheid van het landschap en, waar nodig, ook met de natuurwaarden en cultuurhistorische waarden van het landschap.
13.2.  In wat de vereniging heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt mocht stellen dat het plan, vanwege de ruimtelijke ontwikkelingen bij de genoemde percelen, niet leidt tot een onaanvaardbare toename van verstening in het buitengebied. Gelet op de beleidsvrijheid die de raad toekomt, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad zich niet op dit standpunt heeft mogen stellen.
Het betoog slaagt niet.
-Begripsomschrijvingen en bepalingen in de planregels
13.3.  De vereniging betoogt dat een aantal begripsomschrijvingen en bepalingen in de planregels onduidelijk of onvolledig zijn en daarom moeten worden aangepast.
De vereniging betoogt verder dat met de begripsomschrijvingen en bepalingen over hooibergen ten onrechte, behalve ronde, ook vierkante (paraplu-)hooibergen en (paraplu-)hooibergen met wanden mogelijk worden gemaakt. Zulke (paraplu-)hooibergen zijn volgens de vereniging niet streekeigen en leiden tot afbreuk van de cultuurhistorische waarde in het buitengebied.
13.4.  De raad heeft erop gewezen dat de begripsomschrijvingen ongewijzigd uit het geldende plan zijn overgenomen en dat het voorliggende plan een actualiserend plan is, waarin een aantal particuliere initiatieven is meegenomen. De raad stelt zich op het standpunt dat het wijzigen van begripsomschrijvingen niet met dit plan is beoogd.
De Afdeling volgt de raad in dit standpunt. Het betoog van de vereniging dat de omschrijving van sommige begrippen in de planregels onvolledig of onduidelijk is, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het plan gebreken bevat. Daarbij neemt de Afdeling ook in aanmerking dat niet elk begrip moet worden omschreven om de bestemmingsplanregels te kunnen toepassen. Sommige regels spreken voor zich en andere begrippen kunnen worden uitgelegd aan de hand van het normale spraakgebruik. De Afdeling acht een zo’n werkwijze niet zonder meer in strijd met de rechtszekerheid.
Het betoog slaagt niet.
13.5.  Artikel 1.67, artikel 1.100 en artikel 3.2.4, aanhef en onder l, van de planregels gaan over (paraplu-)hooibergen. Daarin worden vierkante (paraplu-)hooibergen en (paraplu-)hooibergen met wanden niet uitgesloten.
Bij de voorbereiding van het plan heeft de raad een inventarisatie gemaakt van parapluhooibergen in het buitengebied. Deze inventarisatie is opgenomen als bijlage 32 bij de plantoelichting.
13.6.  De raad wijst er terecht op dat uit de inventarisatie van de Heemkunde blijkt dat in het verleden ook vierkante (paraplu-)hooibergen in het buitengebied bestonden en dat (paraplu-)hooibergen in sommige gevallen ook voorzien waren van wanden. De stelling van de vereniging dat vierkante (paraplu-)hooibergen en (paraplu-)hooibergen met wanden niet streekeigen zijn is volgens de raad onjuist.
In wat de vereniging heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het plan ten onrechte vierkante (paraplu-)hooibergen en (paraplu-)hooibergen met wanden toestaat.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie over het beroep van de vereniging
13.7.  Het beroep van de vereniging is ongegrond.
Conclusie
Einduitspraak
14.     Zoals hiervoor onder 7.10, 10.3, 11.9, 12.5 en 13.7 is overwogen, zijn de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en de vereniging ongegrond. Dit betekent dat deze uitspraak voor hen een einduitspraak is en dat daarmee voor hen deze procedure is geëindigd.
15.     De raad hoeft [appellant sub 1], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en de vereniging geen proceskostenvergoeding te betalen.
16.     Zoals hiervoor onder 8.22 en 8.23 is overwogen, is het beroep van [appellant sub 2] en anderen gegrond. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de Afdeling aanleiding om de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening. Dit betekent dat deze uitspraak voor [appellant sub 2] en anderen een einduitspraak is en dat daarmee voor hen deze procedure is geëindigd.
17.     De raad moet de proceskosten van [appellant sub 2] en anderen vergoeden.
Tussenuitspraak
18.     Gelet op wat de Afdeling hiervoor onder 9.3 over het perceel [locatie 4] in Berlicum van [appellant sub 3] heeft overwogen, is het besluit van de raad van 29 juni 2023 in strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb vastgesteld.
19.     Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling, met toepassing van artikel 8:51d van de Awb, de raad opdragen om binnen 26 weken na verzending van deze uitspraak het geconstateerde gebrek in het besluit te herstellen. De raad moet het plan, voor zover het betreft het perceel [locatie 4], zo wijzigen dat het nog steeds in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De raad heeft in dit verband aangegeven dat hij bereid is om de begrenzing van het bouwvlak zo aan te passen dat de bestaande zonnepanelen binnen het bouwvlak vallen en waarbij het bouwvlak niet is geprojecteerd op gronden van derden.
20.     De raad moet de Afdeling en [appellant sub 3] de uitkomst meedelen en een gewijzigd of nieuw besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendmaken en meedelen. Het door de raad te nemen gewijzigde of nieuwe besluit hoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid. Wel moet de raad [appellant sub 3] in staat stellen om voorafgaand aan het nieuw te nemen besluit te reageren op het door de raad voorgenomen herstel.
Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1174, blijft op een gewijzigd of nieuw besluit het recht, zoals dat gold onmiddellijk vóór 1 januari 2024, van toepassing.
21.     Gelet op het geconstateerde gebrek en de opdracht aan de raad om dit gebrek te herstellen is deze uitspraak voor [appellant sub 3] een tussenuitspraak. In de einduitspraak zal de Afdeling voor [appellant sub 3] oordelen over de vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
Einduitspraak
I.        verklaart de beroepen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en de vereniging Het Groene Hart Brabant tegen het besluit van de raad van de gemeente Sint-Michielsgestel van 29 juni 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Sint-Michielsgestel, 3e actualisatie" ongegrond;
II.       verklaart het beroep van [appellant sub 2] en anderen tegen het besluit van de raad van de gemeente Sint-Michielsgestel van 29 juni 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Sint-Michielsgestel, 3e actualisatie" gegrond;
III.      vernietigt het onder II vermelde besluit, voor zover het betreft het bepaalde onder p. in artikel 3.1 van de planregels;
IV.      bepaalt dat het bepaalde onder p. in artikel 3.1 van de planregels als volgt komt te luiden:
"p. ter plaatse van de aanduiding "grondgebonden teeltbedrijf", uitsluitend een agrarisch bedrijf in de land- en tuinbouwsector dat zich richt op het telen van gewassen met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt;"
V.       draagt de raad van de gemeente Sint-Michielsgestel op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen III en IV worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan, dat te raadplegen is op de landelijke voorziening;
VI.      veroordeelt de raad van de gemeente Sint-Michielsgestel tot vergoeding van bij [appellant sub 2] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
VII.     gelast dat de raad van de gemeente Sint-Michielsgestel aan [appellant sub 2] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van € 184,00, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Tussenuitspraak
VIII.    draagt de raad van de gemeente Sint-Michielsgestel op om
a. binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak het onder 9.3 geconstateerde gebrek te herstellen met inachtneming van wat daarover in deze uitspraak is overwogen, en
b. de Afdeling en [appellant sub 3] de uitkomst mee te delen en een eventueel gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen.
Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. J. Gundelach, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.S.D. Ramrattansing, griffier.
w.g. Kaajan
voorzitter
w.g. Ramrattansing
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026
408
BIJLAGE
Burgerlijk Wetboek
Artikel 5:42
Lid 1
Het is niet geoorloofd binnen de in lid 2 bepaalde afstand van de grenslijn van eens anders erf bomen, heesters of heggen te hebben, tenzij de eigenaar daartoe toestemming heeft gegeven of dat erf een openbare weg of een openbaar water is.
Lid 2
De in lid 1 bedoelde afstand bedraagt voor bomen twee meter te rekenen vanaf het midden van de voet van de boom en voor de heesters en heggen een halve meter, tenzij ingevolge een verordening of een plaatselijke gewoonte een kleinere afstand is toegelaten.
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (geldend tussen 15 april 2022 en 20 maart 2023)
Artikel 3.5 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit
Lid 1
Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies zoals opgenomen in hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten invulling aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving.
Lid 2
Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met:
a. zorgvuldig ruimtegebruik;
b. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering;
c. meerwaardecreatie.
Artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik
Lid 1
Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat:
a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat:
1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk;
2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan;
b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking);
c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel.
d. de mogelijkheden voor intensivering van bestaand ruimtebeslag, zoals door meervoudig ruimtegebruik of door verticale bouw, zijn afgewogen en betrokken bij een ontwikkeling.
Lid 2
Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel.
Artikel 3.7 Toepassing van de lagenbenadering
Lid 1
De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd.
Lid 2
De lagenbenadering omvat de effecten op:
a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden;
b. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer.
c. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu.
Lid 3
Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid.
Artikel 3.8 Meerwaardecreatie
Lid 1
Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder:
a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat;
b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.
Lid 2
De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie.
Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap
Lid 3
Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten:
a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing;
b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land;
(…)
Artikel 3.32 Landschappelijke waarden in de groenblauwe mantel
Lid 1
Een bestemmingsplan van toepassing op de Groenblauwe mantel:
a. strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken;
b. stelt regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied;
c. borgt dat een ontwikkeling gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken.
Lid 2
De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid bevat een beschrijving van de aanwezige ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken.
Bestemmingsplan "Buitengebied Sint-Michielsgestel, 3e actualisatie" 2023
Planregels
1.16
agrarisch (grond)gebruik
het bedrijfsmatig gebruik van gronden of gebouwen voor het telen van gewassen of het houden van dieren, dan wel het gebruik van gronden voor het hobbymatig houden van dieren
1.63 grondgebonden agrarisch bedrijf:
een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf. Grondgebonden bedrijven zijn in ieder geval: akkerbouw-, fruitteelt- en vollegrondstuinbouwbedrijven en boomteeltbedrijven, waarvan de bomen overwegend rechtstreeks in de grond zijn geplant eventueel in combinatie met teeltondersteunende voorzieningen. Melkveebedrijven zijn ook grondgebonden, tenzij het een intensieve veehouderij betreft.
-1.67 hooiberg:
een vrijstaand bouwwerk dat dient als opslagplaats voor graan, stro, hooi en andere gewassen. De constructie bestaat meestal uit vier palen en een dak dat in sommige gevallen langs de palen op en neer kan bewegen;
-1.100 parapluhooiberg:
een vrijstaand bouwwerk, niet zijnde een verblijfsruimte, dat bestaat uit één (dragende) paal in het midden, eventueel omsloten door wanden van maximaal 3 meter hoogte, en een houten dakconstructie die zowel rond als vierkant kan zijn, met daarop riet, stro of metalen golfplaten als dakbedekking, dat in sommige gevallen langs de paal op en neer kan bewegen;
Artikel 3.1
De voor "Agrarisch" aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. een agrarische bedrijfsuitoefening;
b. een grondgebonden bedrijf;
c. agrarisch (grond)gebruik;
(…)
p. ter plaatse van de aanduiding "grondgebonden teeltbedrijf", uitsluitend een agrarisch bedrijf in de land- en tuinbouwsector dat zich richt op het telen van gewassen met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in niet in gebouwen plaatsvindt;
Artikel 3.2.4, aanhef en onder l, van de planregels.
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:
(…)
l. Parapluhooibergen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - parapluhooiberg", met dien verstande dat:
1. de goothoogte niet meer mag bedragen dan 5 meter;
2. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 8 meter;
3. in afwijking van het bepaalde onder 2 de bouwhoogte met maximaal 2 meter mag worden overschreden ten behoeve van de paal;
4. de maximale oppervlakte niet meer mag bedragen dan 49 m²;
5. aan- en uitbouwen niet zijn toegestaan;
6. de bouwhoogte van de wanden maximaal 3 meter mag bedragen;
7. tussen de wanden en de goothoogte minimaal 2 meter vrij van wanden en/of muren dient te zijn;
8. het niet is toegestaan de wanden volledig af te dekken met een plafond.
Artikel 6.1
De voor "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" aangewezen gronden zijn bestemd voor:
(…)
y. ter plaatse van de aanduiding "historisch landschappelijk gebied", het behoud, herstel en ontwikkeling van de waarden, in het bijzonder voor het op de verbeelding aangeduide historisch landschappelijk gebied;
(…)
Artikel 6.7.1
Het is verboden het volgende werk en/of de volgende werkzaamheden uit te voeren binnen de betreffende aanduidingen:
a. aanleggen van tijdelijke en/of teeltondersteunende voorzieningen binnen de gronden met de aanduiding "beekdal";
b. vergraven, egaliseren, graven van sloten, dempen en verleggen van sloten/poelen, rooien van houtgewas, omzetting van grasland/bouwland naar boomteelt, fruitteelt en/of sierteelt, verandering perceelsindeling binnen de gronden met de aanduiding "historisch landschappelijk gebied";
c. aanleggen van tijdelijke en/of overige teeltondersteunende voorzieningen binnen gronden met de aanduiding "leefgebied kwetsbare soorten";
d. aanleggen van tijdelijke en/of overige teeltondersteunende voorzieningen binnen gronden met de aanduiding "leefgebied van vlinders en natte biotopen";
e. aanleggen van tijdelijke en/of overige teeltondersteunende voorzieningen binnen gronden met de aanduiding "leefgebied van amfibieën en reptielen".
Artikel 6.7.2
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden verlenen voor:
een werk en/of werkzaamheden zoals weergegeven in sub a t/m n en tijdelijke en overige teeltondersteunende voorzieningen;
indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:
1. ingeval er twee of meer aanduidingen op de desbetreffende gronden zijn gelegen, het zwaarste regime geldt;
2. bij de beoordeling van de een werk en werkzaamheden worden de mogelijke gevolgen, zoals weergegeven in bijlage 2, getoetst;
3. burgemeester en wethouders kunnen voor de beoordeling een daartoe bevoegd deskundige aanwijzen;
4. indien het een werk en/of werkzaamheden binnen de aanduidingen ‘archeologische verwachtingswaarde 1’ of 'archeologische verwachtingswaarde 2' betreft, waarbij de ingrepen groter zijn dan ter plaatse is toegestaan, dient door middel van archeologisch onderzoek te worden aangetoond dat deze archeologische waarden niet worden aangetast.
a. Historisch landschappelijk gebied
-afgraven, ophogen;
-indrijven;
-onderbemalen;
-aanbrengen oeverbeschoeiing;
-planten;
-verharden oppervlakte van meer dan 100 m²;
b. Archeologische verwachtingswaarde 1
-ingrepen die groter of gelijk zijn dan 100 m² en dieper dan 1 meter onder het huidig maaiveld;
c. Archeologische verwachtingswaarde 2
-ingrepen die groter of gelijk zijn dan 1 hectare en dieper dan 0,5 meter onder het huidig maaiveld;
(…)
Artikel 23.2.3, aanhef en onder f en h,
Voor het bouwen van een woning gelden de volgende bepalingen:
(…)
f. de maximale goothoogte van de woning bedraagt 6 meter en de maximale hoogte bedraagt 10 meter;
(…)
h. afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen dient minimaal 5 meter te bedragen;
(…)
Artikel 23.2.4, aanhef en onder c,
Voor het bouwen van bijgebouwen inclusief aan- en uitbouwen die niet ten behoeve van de verblijfsfunctie worden gebruikt gelden de volgende bepalingen:
(...)
c. afstand van de bijgebouwen tot de perceelsgrens dient minimaal 1 meter te bedragen:
(…)
Bestemmingsplan "Buitengebied Sint-Michielsgestel"
Planregels
Artikel 1.11
agrarisch bedrijf:
een bedrijf gericht op het voortbrengen van agrarisch producten door middel van:
-het telen of veredelen van gewassen, waaronder begrepen houtteelt, fruitteelt, sierteelt of bloementeelt;
-het houden of fokken van vee, pluimvee of pelsdieren;
nader te onderscheiden in:
-grondgebonden bedrijf;
-glastuinbouwbedrijf;
-niet-grondgebonden bedrijf, niet zijnde intensieve veehouderij;
-intensieve veehouderij;
Artikel 1.12
agrarisch bedrijfsgebouw
een (gedeelte van een) gebouw, dat dient voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf;
Artikel 1.60
grondgebonden agrarisch bedrijf:
een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf. Grondgebonden bedrijven zijn in ieder geval: akkerbouw-, fruitteelt- en vollegrondstuinbouwbedrijven en boomteeltbedrijven, waarvan de bomen overwegend rechtstreeks in de grond zijn geplant eventueel in combinatie met teeltondersteunende voorzieningen. Melkveebedrijven zijn doorgaans ook grondgebonden.
Artikel 3.1
De voor "Agrarisch" aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. een agrarische bedrijfsuitoefening;
b. agrarisch gebruik;
c. een grondgebonden bedrijf;
(…)