ECLI:NL:RVS:2026:4121

Raad van State

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
202405078/1/R2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 4.6 Invoeringswet OmgevingswetWet natuurbeschermingWet ruimtelijke ordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen vaststelling bestemmingsplan Routje 1 te Budel-Dorplein

De raad van de gemeente Cranendonck stelde op 25 juni 2024 het bestemmingsplan 'Routje 1 te Budel-Dorplein' vast, waarin de ontwikkeling van twee nieuwe twee-aaneengebouwde patiowoningen werd voorzien. Appellant, wonend tegenover het plangebied, maakte bezwaar tegen het plan, met name vanwege het soortenbeschermingsregime, de kap van waardevolle bomen en mogelijke inbreuk op zijn woon- en leefklimaat.

Ecologisch onderzoek door M&A Omgeving B.V. concludeerde dat er geen verblijfplaatsen of nesten van beschermde soorten in het plangebied aanwezig zijn, wat werd bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak. Het tegenonderzoek van appellant toonde mogelijke aanwezigheid van soorten, maar niet zodanig dat het plan onuitvoerbaar zou zijn. De Afdeling oordeelde dat het plan niet in strijd is met het soortenbeschermingsregime.

Verder stelde de Afdeling vast dat de kap van zeven bomen noodzakelijk is, waarvan slechts twee in goede conditie zijn, en dat compensatie met 15 nieuwe bomen is geregeld in het plan. De raad heeft voldoende inzicht gegeven in het behoud van het waardevolle karakter van het bospunt. Ten slotte oordeelde de Afdeling dat het plan geen onaanvaardbare inbreuk maakt op het woon- en leefklimaat van appellant, mede vanwege de afstand tot de nieuwe woningen en het ontbreken van een beschermd dorpsgezicht.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de raad hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen het bestemmingsplan wordt ongegrond verklaard en het plan blijft ongewijzigd van kracht.

Uitspraak

202405078/1/R2.
Datum uitspraak: 15 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) in het geding tussen:
[appellant], wonend in Budel-Dorplein, gemeente Cranendonck,
appellant,
en
de raad van de gemeente Cranendonck,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 25 juni 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Routje 1 te Budel-Dorplein" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 21 juli 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2.       Het bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van twee nieuwe twee-aaneengebouwde patiowoningen op het woonperceel aan Het Routje 1 in Budel-Dorplein. Op grond van het bestemmingsplan "Budel en Budel-Dorplein" was daar slechts één wooneenheid toegestaan en hadden de gronden deels de bestemming "Tuin". [appellant] woont aan [locatie 1], tegenover het plangebied. Hij is het niet eens met de beoogde ontwikkeling.
Toetsingskader
3.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Gronden van het beroep
4.       [appellant] betoogt dat het soortenbeschermingsregime van de Wet natuurbescherming aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat. Volgens [appellant] zorgt de ontwikkeling niet voor behoud van het open en bosrijke karakter en is de conclusie dat geen verblijf- of broedmogelijkheden verdwijnen onjuist. Ter onderbouwing van zijn standpunt legt hij een advies over van Bureau van Nierop van 5 september 2024, waaruit onder meer blijkt dat het onderzoeksgebied geschikt is voor nestplaatsen van verschillende dieren.
4.1.    Voor het bestemmingsplan is ecologisch onderzoek gedaan door M&A Omgeving B.V. De resultaten daarvan zijn neergelegd in de quickscan flora en fauna van 5 mei 2022, die als bijlage 3 bij de plantoelichting is gevoegd. In paragraaf 4.8 van de plantoelichting heeft de raad een samengevatte weergave van de quickscan opgenomen. M&A Omgeving B.V. heeft literatuuronderzoek en veldonderzoek gedaan. Het veldonderzoek heeft plaatsgevonden binnen het broedvogelseizoen in de dag- en avondperiode. Tijdens het veldonderzoek zijn geen verblijfplaatsen of nesten van jaarrond beschermde broedvogels zoals huismussen, gierzwaluwen of uilen in het plangebied waargenomen. In de woning zijn met een camera mogelijke locaties voor nesten onderzocht. Hierbij is niets aangetroffen. De bomen op het perceel bevatten geen nesten van broedvogels. Bij de inventarisatie is ook speciale aandacht besteed aan andere kenmerken van broedende vogelsoorten, zoals uitwerpselen en achtergelaten nestmateriaal. Verder is speciaal gelet op de aanwezigheid van verblijfplaatsen voor vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen in de bestaande woning of de bomen op het perceel. Met een vleermuisdetector zijn in de avondperiode ter plaatse van het onderzoeksperceel geen waarnemingen van vleermuissoorten gedaan. Er zijn ook geen sporen aangetroffen van beschermde grondgebonden zoogdieren, zoals marterachtigen. Verder volgt uit het veldonderzoek dat de omgeving van het onderzoeksgebied niet geschikt is als onderdeel van het leefgebied van reptielen, amfibieën, vlinders en libellen, beschermde mieren, kevers en overige ongewervelden en vissen. Op grond van het literatuur- en veldonderzoek gelden volgens M&A omgeving B.V. dan ook geen belemmeringen voor het plan op grond van de soortenbescherming. Bij het bouwwerkzaamheden dient bovendien de algemene zorgplicht ten aanzien beschermde soorten in acht te worden genomen.
4.2.    [appellant] heeft onderzoek laten uitvoeren door Bureau van Nierop, waarbij veldonderzoek heeft plaatsgevonden op de percelen van [locatie 1] en [locatie 2]. In het onderzoek wordt onder meer geconcludeerd dat de woningen binnen de onderzoekslocatie geschikte openingen bieden die als nestplaats gebruikt kunnen worden door de huismus, de gierzwaluw en gebouwbewonende vleermuizen. Indien werkzaamheden worden uitgevoerd aan de woningen, moet onderzoek uitgevoerd worden naar de aanwezigheid van dergelijke nesten en verblijfplaatsen. Verder staat in het onderzoek dat het bos ten oosten van Het Routje 1 en de tuinen van de onderzoekslocatie onderdeel kunnen zijn van het leefgebied voor de steenmarter en bunzing, boombewonende vleermuizen en eekhoorns. Bij werkzaamheden die geschikt leefgebied kan aantasten, dient nader onderzoek naar de aanwezigheid van deze soorten te worden uitgevoerd. In het onderzoek wordt voorts nog geconcludeerd dat het onderzoeksgebied voortplantingswateren en landbiotoop biedt aan de alpenwatersalamander, kamsalamander, kleine watersalamander, bastaardkikker, bruine kikker en gewone pad. Bij toekomstige planvoornemens die deze elementen aantasten, is aanvullend onderzoek noodzakelijk.
4.3.    De Afdeling overweegt dat de raad het plan niet mag vaststellen als en voor zover hij op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het wettelijke soortenbeschermingsregime aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Naar het oordeel van de Afdeling is daar in dit geval geen sprake van. In het onderzoek van Bureau van Nierop worden de resultaten en de onderzoeksmethode van M&A Omgeving B.V. niet betwist. Wel wordt daarin ten aanzien van een aantal soorten geconcludeerd dat de aanwezigheid van die soorten niet op voorhand is uitgesloten. Uit dit onderzoek volgt echter niet dat deze soorten ook daadwerkelijk binnen het plangebied aanwezig zijn of dat het soortenbeschermingsregime aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Uit het veldonderzoek dat door M&A Omgeving B.V. in het plangebied is verricht, blijkt juist dat er geen sporen van deze soorten zijn aangetroffen. Voor zover [appellant] in het bijzonder wijst op de alpenwatersalamander, kamsalamander, kleine watersalamander, bastaardkikker, bruine kikker en gewone pad, overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is gemaakt dat ten aanzien van deze soorten een verbodsbepaling zal worden overtreden als gevolg van de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt. Op basis van het tegenonderzoek is niet gebleken dat deze soorten een vaste verblijfplaats hebben in het plangebied. Dat deze soorten mogelijk in het plangebied aanwezig kunnen zijn, betekent niet dat alleen daarom al een verbodsbepaling wordt overtreden.
Het betoog slaagt niet.
5.       [appellant] betoogt dat in het plangebied meerdere waardevolle bomen staan en dat de raad weliswaar stelt dat er maar twee bomen in goede staat zijn, maar dat dit niet overeenkomt met hetgeen in de boominventarisatie staat vermeld. Daaruit volgt dat er minstens vijf waardevolle bomen gerooid moeten worden. Er zijn inmiddels ook al bomen zonder kapvergunning gerooid. [appellant] merkt verder op dat alvorens bomen worden verwijderd, een boomholtecheck moet worden uitgevoerd.
5.1.    De raad heeft een boominventarisatie laten uitvoeren. De resultaten daarvan zijn opgenomen in de "Boominventarisatie ’t Routje 1 Budel Dorplein" van 20 november 2020, die als bijlage 6 bij de plantoelichting is gevoegd. In de boominventarisatie staat dat er in totaal 37 bomen (beuken en eiken) op het perceel aanwezig zijn. Als gevolg van de bestemmingsplanwijziging en de voorgenomen bebouwing moeten er in totaal zeven bomen gerooid worden. Het betreft de bomen die in de inventarisatie zijn aangeduid met nummers 1 t/m 6. Van deze bomen is er één dood en heeft er één weliswaar een goede conditie, maar deze is wel onveilig vanwege de aanwezige zogenoemde plakoksels, waardoor een risico op uitbreken van takken ontstaat. Van de overige bomen heeft één boom een goede conditie en drie bomen hebben een matige conditie. Bomen met een matige conditie vertonen een verminderde groei en blijven achter in ontwikkeling. Verder volgt uit de boominventarisatie dat boom nummer 8 gerooid moet worden, omdat de bebouwing zo dicht op deze boom is gesitueerd dat dit nadelige gevolgen heeft voor de stabiliteit van deze boom. Deze boom heeft een redelijke conditie. Anders dan [appellant] aanvoert volgt dus ook uit de boominventarisatie dat slechts twee van de te rooien bomen een goede conditie hebben.
Verder wordt in de boominventarisatie aanbevolen om de te rooien bomen op hetzelfde perceel te compenseren zodat er een gevarieerde bosbeplanting ontstaat. De compensatie van de te rooien bomen is in artikel 11.3 van de planregels geregeld en geborgd door middel van een voorwaardelijke verplichting. Deze voorwaardelijke verplichting houdt in dat de bebouwing pas in gebruik mag worden genomen als de landschappelijke inpassing (bomeninventarisatie) op het perceel, zoals opgenomen in bijlage 2, is aangelegd en duurzaam in stand wordt gehouden. Bijlage 2 bevat het document "Behoud bospunt", waarin onder meer is vastgelegd dat er 15 compensatiebomen op het perceel moeten worden aangeplant en op welke wijze dit moet gebeuren. Voor zover [appellant] aanvoert dat de te rooien bomen waardevolle bomen zijn, merkt de Afdeling op dat in de boominventarisatie niet is opgenomen dat specifieke bomen op het perceel als waardevol zijn aangemerkt. De raad heeft in dit verband toegelicht dat uit de "Lijst particuliere Waardevolle bomen" van de gemeente Cranendonck volgt dat de bomengroep op het perceel als geheel als waardevol is aangemerkt. In het document "Behoud bospunt" staat dat na compensatie van de 7 te rooien bomen met 15 nieuw aan te planten bomen, het bospunt op de gemeentelijke lijst particuliere waardevolle bomen zal  blijven staan, waarmee behoud en juist onderhoud van de bomen geborgd blijft. De Afdeling is van oordeel dat de raad op deze wijze voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe het waardevolle karakter van het bospunt met het bestemmingsplan wordt gewaarborgd.
Het betoog slaagt niet.
6.       [appellant] voert aan dat het plan zal leiden tot een inbreuk op zijn woon- en bewegingsvrijheid en dat hij zijn vrije uitzicht op het groen zal verliezen. Hij heeft na uitvoering van het plan direct zicht op de woningen en bijgebouwen en hij vreest voor licht- en geluidsoverlast. Bovendien zal het aangezicht van het historische deel van het dorp definitief worden verstoord.
6.1.    De Afdeling is van oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het plan niet zal leiden tot een onaanvaardbare inbreuk op het woon- en leefklimaat van [appellant]. De Afdeling acht daarvoor van belang dat geen blijvend recht op vrij uitzicht bestaat en dat de afstand tussen de woning van [appellant] en de twee voorziene patiowoningen ongeveer 36 m respectievelijk 43 m bedraagt, hetgeen de raad gelet op het bestaande straatbeeld passend heeft mogen achten. Gelet op deze afstand heeft de raad zich ook op het standpunt mogen stellen dat de hoeveelheid licht en geluid afkomstig van de twee patiowoningen beperkt is en niet tot onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden zal leiden. Verder volgt uit de plantoelichting dat het plangebied niet in een beschermd dorpsgezicht is gelegen en dat zich in de directe omgeving geen monumentale gebouwen of waardevolle ensembles bevinden. Van een verstoring van het aangezicht van het historische deel van het dorp is niet gebleken.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
7.       Het beroep is ongegrond.
8.       De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.C. van Engelen, griffier.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Engelen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026
842