ECLI:NL:RVS:2026:4115
Raad van State
- Hoger beroep
- J.F. de Groot
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet tijdig beslissen handhavingsverzoek woonwagen Neder-Betuwe
Een wederpartij diende op 19 december 2022 een verzoek in bij het college van burgemeester en wethouders van Neder-Betuwe om handhavend op te treden tegen de aanwezigheid van een woonwagen op een adres in IJzendoorn. Het college stuurde op 9 februari 2023 een verdagingsbrief waarin het de beslistermijn met twaalf weken verlengde, maar de wederpartij ontving deze brief pas op 17 februari 2023, na het verstrijken van de oorspronkelijke beslistermijn.
De rechtbank Gelderland oordeelde dat het college de verzending van de verdagingsbrief niet aannemelijk had gemaakt en dat het te laat had beslist met de brief van 9 mei 2023, waardoor het college een dwangsom van €1.442,00 verbeurde. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen werd gegrond verklaard en het college werd opgedragen het bezwaarschrift tegen de brief van 9 mei 2023 te behandelen.
Het college stelde hoger beroep in en voerde aan dat het handhavingsverzoek geen aanvraag was in de zin van de Awb en dat de wederpartij geen belanghebbende was. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de wederpartij dit standpunt onderschrijft, waardoor de rechtbank ten onrechte oordeelde dat het college niet tijdig had beslist en dat er geen dwangsom is verbeurd.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 23 januari 2024 waarin het bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard. Het beroep bij de rechtbank werd niet-ontvankelijk verklaard omdat geen sprake was van een besluit waartegen beroep openstaat. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het handhavingsverzoek is niet-ontvankelijk omdat geen sprake is van een aanvraag en dus geen besluit.