ECLI:NL:RVS:2026:411
Raad van State
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing uitkering schadefonds geweldsmisdrijven wegens ontbreken objectieve aanwijzingen slachtoffer
De Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) wees de aanvraag van appellant om een uitkering uit het schadefonds af op 23 november 2023. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit bezwaar werd op 12 februari 2024 ongegrond verklaard. De rechtbank Zeeland-West-Brabant bevestigde deze beslissing op 25 juli 2024, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
In het hoger beroep stond centraal of appellant voldoende objectieve aanwijzingen had overgelegd waaruit blijkt dat zij slachtoffer is van een tegen haar opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf in de periode 2016 tot 2021. De Afdeling overwoog dat het beleid van de CSG en eerdere rechtspraak vereisen dat een aanvrager dit aannemelijk maakt met objectief bewijs. Appellant had geen aangifte bij de politie gedaan en er was geen strafrechtelijk onderzoek geweest.
De door appellant overgelegde stukken, waaronder een bericht van een derde aan een officier van justitie, e-mails van maatschappelijk werk en verklaringen van derden, werden niet als voldoende objectieve aanwijzingen beoordeeld. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en de afwijzing van de uitkering gehandhaafd. De CSG hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de uitkering uit het schadefonds gehandhaafd.