ECLI:NL:RVS:2026:4105

Raad van State

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
202505793/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:67 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing tegemoetkoming Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens onvoldoende bewijs stelselmatig huiselijk geweld

De zaak betreft het hoger beroep van appellante tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een tegemoetkoming uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG). De CSG had haar aanvraag op 23 december 2024 afgewezen en het bezwaar op 31 maart 2025 ongegrond verklaard. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit eveneens ongegrond op 4 november 2025.

In hoger beroep heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State het oordeel van de rechtbank bevestigd. Uit de beschikbare politiesystemen bleek slechts één mutatierapport van 2 augustus 2024, dat betrekking had op een enkele mishandeling op 30 juli 2024. Appellante had daarbij aangegeven dat dit de eerste keer was. Er waren geen andere mutatierapporten, aangiftes of objectieve stukken die konden aantonen dat sprake was van stelselmatig huiselijk geweld.

Daarnaast was niet gebleken dat appellante ernstig lichamelijk of psychisch letsel had opgelopen door het geweld van 30 juli 2024. Er waren geen stukken van een bekwame en bevoegde hulpverlener overgelegd waaruit bleek dat de mishandeling had geleid tot nieuwe of verergerde psychische klachten. Het vermeende seksuele misbruik door de ex-partner was pas in hoger beroep naar voren gebracht en kon door de CSG niet worden beoordeeld omdat dit niet in de oorspronkelijke aanvraag was opgenomen.

De Afdeling concludeerde dat het oordeel van de rechtbank niet onjuist was en bevestigde de afwijzing van de aanvraag voor een tegemoetkoming uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven.

Uitkomst: De Afdeling bevestigt de afwijzing van de aanvraag voor een tegemoetkoming uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens onvoldoende bewijs van stelselmatig huiselijk geweld en letsel.

Uitspraak

202505793/1/A2.
Datum uitspraak: 13 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 november 2025 in zaak nr. 25/3394 in het geding tussen:
[appellante]
en
Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG).
Openbare zitting gehouden op 13 juli 2026 om 13:45 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer
griffier: mr. C. Kouidar
Verschenen:
CSG, vertegenwoordigd door mr. A.R. Link van Spronsen;
Bij besluit van 23 december 2024 heeft de CSG de aanvraag van [appellante] om een tegemoetkoming uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven afgewezen.
Bij besluit van 31 maart 2025 heeft de CSG het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 4 november 2025 van de rechtbank Den Haag, waarin het beroep van [appellante] tegen het besluit van 31 maart 2025 ongegrond is verklaard.
Beslissing:
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Gronden:
Uit wat [appellante] naar voren heeft gebracht, is niet gebleken dat het oordeel van de rechtbank onjuist is. In de politiesystemen is één mutatierapport van 2 augustus 2024 bekend. Die mutatie gaat over één mishandeling op 30 juli 2024, waarbij [appellante] bovendien heeft vermeld dat dit de eerste keer was. Verder zijn er (in hoger beroep) geen andere mutatierapporten in het politiesysteem, aangiftes of andere objectieve stukken bekend of overgelegd op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat [appellante] slachtoffer is van stelselmatig huiselijk geweld. Wat betreft het geweld van 30 juli 2024 is niet gebleken dat [appellante] ernstig lichamelijk of psychisch letsel daaraan heeft overgehouden. Er zijn geen stukken overgelegd van een bekaam en bevoegd hulpverlener waaruit blijkt dat de mishandeling heeft geleid tot nieuwe psychische klachten dan wel aanwezige psychische klachten heeft verergerd. Het vermeende seksuele misbruik door de ex-partner is pas in hoger beroep naar voren gebracht. De CSG heeft dit onderdeel niet kunnen beoordelen, omdat het niet aan de aanvraag ten grondslag is gelegd.
w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kouidar
griffier
1120