ECLI:NL:RVS:2026:4105
Raad van State
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing tegemoetkoming Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens onvoldoende bewijs stelselmatig huiselijk geweld
De zaak betreft het hoger beroep van appellante tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een tegemoetkoming uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG). De CSG had haar aanvraag op 23 december 2024 afgewezen en het bezwaar op 31 maart 2025 ongegrond verklaard. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit eveneens ongegrond op 4 november 2025.
In hoger beroep heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State het oordeel van de rechtbank bevestigd. Uit de beschikbare politiesystemen bleek slechts één mutatierapport van 2 augustus 2024, dat betrekking had op een enkele mishandeling op 30 juli 2024. Appellante had daarbij aangegeven dat dit de eerste keer was. Er waren geen andere mutatierapporten, aangiftes of objectieve stukken die konden aantonen dat sprake was van stelselmatig huiselijk geweld.
Daarnaast was niet gebleken dat appellante ernstig lichamelijk of psychisch letsel had opgelopen door het geweld van 30 juli 2024. Er waren geen stukken van een bekwame en bevoegde hulpverlener overgelegd waaruit bleek dat de mishandeling had geleid tot nieuwe of verergerde psychische klachten. Het vermeende seksuele misbruik door de ex-partner was pas in hoger beroep naar voren gebracht en kon door de CSG niet worden beoordeeld omdat dit niet in de oorspronkelijke aanvraag was opgenomen.
De Afdeling concludeerde dat het oordeel van de rechtbank niet onjuist was en bevestigde de afwijzing van de aanvraag voor een tegemoetkoming uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven.
Uitkomst: De Afdeling bevestigt de afwijzing van de aanvraag voor een tegemoetkoming uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens onvoldoende bewijs van stelselmatig huiselijk geweld en letsel.