ECLI:NL:RVS:2026:4103
Raad van State
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing tegemoetkoming Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens onvoldoende objectieve onderbouwing
De appellant heeft een aanvraag ingediend bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven voor een tegemoetkoming, welke door de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) op 7 augustus 2024 is afgewezen. Na een bezwaarprocedure verklaarde de CSG het bezwaar ongegrond op 31 oktober 2024. De rechtbank Gelderland heeft op 22 juli 2025 het beroep van appellant tegen deze beslissing eveneens ongegrond verklaard.
De appellant ging in hoger beroep bij de Raad van State tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft op 13 juli 2026 de mondelinge uitspraak gedaan en de aangevallen uitspraak bevestigd. De Afdeling overwoog dat hoewel een strafrechterlijk vonnis een objectieve aanwijzing kan vormen ter onderbouwing van een aanvraag, de aanleiding, toedracht en omstandigheden van het misdrijf voldoende duidelijk moeten zijn.
In deze zaak bleek uit het strafvonnis alleen dat de dader was veroordeeld voor poging tot zware mishandeling. De verklaringen van appellant en dader verschilden op meerdere punten en appellant gaf aan onder invloed van alcohol en lachgas te zijn geweest, waardoor hij zich de gebeurtenissen niet goed kon herinneren. Hierdoor ontbrak het aan voldoende objectieve informatie om de aanvraag te ondersteunen, wat de afwijzing door de CSG rechtvaardigde.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag voor een tegemoetkoming uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven wordt bevestigd wegens onvoldoende objectieve informatie over het geweldsmisdrijf.