ECLI:NL:RVS:2026:4101
Raad van State
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing tegemoetkoming Schadefonds Geweldsmisdrijven voor minderjarige zoon
De Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) wees op 18 december 2024 de aanvraag van appellant af voor een tegemoetkoming uit het Schadefonds voor zijn minderjarige zoon. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 2 mei 2025 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van appellant tegen deze beslissing eveneens ongegrond op 10 november 2025.
Appellant ging in hoger beroep bij de Raad van State. Tijdens de mondelinge behandeling op 13 juli 2026 werd overwogen dat uit de overgelegde mutatierapporten van de politie niet blijkt dat de zoon van appellant aanwezig was tijdens een geweldsincident of getuige was van stelselmatig huiselijk geweld. Hoewel de ex-partner van appellant meerdere keren bij de woning van appellant is geweest, al dan niet onder invloed, is niet aannemelijk gemaakt dat de zoon slachtoffer of waarnemer was van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf.
De Raad van State bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en de eerdere besluiten van de CSG. De aanvraag voor een tegemoetkoming uit het Schadefonds werd definitief afgewezen omdat niet aan het vereiste bewijs is voldaan.
Uitkomst: De aanvraag voor een tegemoetkoming uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven voor de minderjarige zoon is afgewezen wegens onvoldoende bewijs van slachtofferschap of waarneming van geweld.