ECLI:NL:RVS:2026:409
Raad van State
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling uitkering Schadefonds Geweldsmisdrijven na huiselijk geweld
Appellante heeft een aanvraag ingediend bij de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) voor een uitkering wegens huiselijk geweld dat zij tussen 2011 en 2018 heeft ondervonden. De CSG kende haar bij besluit van 11 april 2024 een uitkering toe van €2.500, gebaseerd op letselcategorie 2 van de Letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven van 1 november 2022.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat bij besluit van 3 juni 2024 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit eveneens ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State deze uitspraak.
De Afdeling oordeelt dat de CSG terecht niet de gehele periode van 2011 tot en met 2018 als aaneengesloten heeft beschouwd, omdat deze periode na 11 april 2014 is doorbroken. Daarnaast kon de CSG niet vaststellen dat de mishandelingen in 2016 tot fysiek letsel hebben geleid en was het psychische letsel van appellante het gevolg van meerdere oorzaken, waardoor niet kon worden vastgesteld in welke mate de klachten door de mishandelingen waren veroorzaakt.
Gelet op deze omstandigheden was het voor de CSG niet nodig een hogere letselcategorie toe te kennen dan categorie 2. De CSG hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitkering van €2.500 op basis van letselcategorie 2 blijft gehandhaafd.