ECLI:NL:RVS:2026:4085
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting in asielprocedure
Verzoeker heeft bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke op 4 maart 2026 is afgewezen. Hiertegen stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 24 juni 2026 het beroep gegrond verklaarde, het besluit vernietigde, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand liet.
Verzoeker stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat hij wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist. De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft dit verzoek toegewezen.
De voorzieningenrechter bepaalde dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat het hoger beroep is afgerond en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, die geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak werd gedaan op 16 juli 2026.
Uitkomst: Verzoeker mag niet worden uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de minister moet proceskosten vergoeden.