ECLI:NL:RVS:2026:408

Raad van State

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
202408084/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:67 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing uitkering schadefonds geweldsmisdrijven wegens onvoldoende objectieve aanwijzingen

De Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) wees op 17 januari 2024 de aanvraag van appellant om een uitkering uit het schadefonds af. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit bezwaar werd op 31 mei 2024 ongegrond verklaard. De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit eveneens ongegrond op 17 december 2024.

Appellant stelde onvoldoende objectieve aanwijzingen te hebben geleverd waaruit blijkt dat zij slachtoffer is van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. De Raad van State bevestigt deze beoordeling en benadrukt dat zonder aangifte of strafrechtelijk onderzoek de aanvrager met voldoende objectieve aanwijzingen moet komen om het geweldsmisdrijf aannemelijk te maken.

De opmerking van de CSG dat zij appellant niet per se niet gelooft, betekent niet dat het geweldsmisdrijf is erkend. Een eigen verklaring van het slachtoffer is onvoldoende om de aannemelijkheid vast te stellen. De Raad van State oordeelt dat de uitspraak van de rechtbank terecht is en vernietigt deze niet. De CSG hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de uitkering uit het schadefonds wordt bevestigd.

Uitspraak

202408084/1/A2.
Datum uitspraak: 13 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland­West­Brabant van 17 december 2024 in zaak nr. 24/5605 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG).
Openbare zitting gehouden op 13 januari 2026 om 13:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. E.J. Daalder, voorzitter
griffier: mr. H.A. Komduur
Verschenen:
[appellante], vertegenwoordigd door mr. P. van Baaren, advocaat in Rotterdam;
De CSG, vertegenwoordigd door mr. J.C.M. van de Weerd.
Bij besluit van 17 januari 2024 heeft de CSG een aanvraag van [appellante] om een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven (schadefonds) afgewezen. Bij besluit van 31 mei 2024 heeft de CSG het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 17 december 2024 van de rechtbank Zeeland­West­Brabant, waarbij de rechtbank het beroep van [appellante] tegen het besluit van 31 mei 2024 ongegrond heeft verklaard.
De CSG heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Gronden:
Een aanvrager van een uitkering uit het schadefonds moet met voldoende objectieve aanwijzingen aannemelijk maken dat hij slachtoffer is van een tegen hem opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Als geen aangifte is gedaan en er geen strafrechtelijk onderzoek heeft plaatsgevonden, moet de aanvrager met voldoende objectieve aanwijzingen komen om een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf aannemelijk te maken. De rechtbank heeft geoordeeld dat met de overgelegde stukken niet aannemelijk is gemaakt dat [appellante] slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf, omdat deze stukken onvoldoende objectieve aanwijzingen bevatten. De opmerking van de CSG in het besluit van 17 januari 2024, dat zij niet wil zeggen dat zij [appellante] niet gelooft, moet niet zo worden uitgelegd dat dit een erkenning inhoudt dat een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf zich heeft voorgedaan. Deze opmerking laat immers onverlet dat uit de wet en de rechtspraak van de Afdeling voortvloeit dat alleen een eigen verklaring van een slachtoffer onvoldoende is om de aannemelijkheid van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf vast te stellen. Hoewel de rechtbank niet op dit in beroep aangevoerde betoog is ingegaan, kan dit er daarom niet toe leiden dat de uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd.
De CSG hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Komduur
griffier
809