ECLI:NL:RVS:2026:4020
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing verblijfsdocument EU/EER
De minister van Asiel en Migratie heeft op 19 november 2024 een aanvraag van verzoeker om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 21 augustus 2025 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 16 april 2026 het beroep ongegrond verklaarde.
Tegen deze uitspraak stelde verzoeker hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft beoordeeld of er sprake was van een spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening. Uit de overwegingen blijkt dat dit niet het geval was.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tevens werd bepaald dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter A. Kuijer op 13 juli 2026.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de verblijfsdocumentaanvraag wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.