ECLI:NL:RVS:2026:397
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering uitspraak rechtbank inzake machtiging voorlopig verblijf
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 28 juni 2022 een aanvraag van betrokkene om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Betrokkene maakte bezwaar, dat op 5 juni 2024 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene op 17 december 2025 gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de minister binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat zij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog de belangen van beide partijen en besloot de voorlopige voorziening toe te kennen. Hierdoor hoeft de minister de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.