ECLI:NL:RVS:2026:3961

Raad van State

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
202502728/1/R1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.10 WaboArt. 3.9 WaboArt. 4.3 Invoeringswet Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging omgevingsvergunning calamiteitenbrug ondanks beroep op vertrouwensbeginsel

Het college van burgemeester en wethouders van Hoorn verleende op 23 januari 2024 een omgevingsvergunning voor het bouwen van een calamiteitenbrug die twee delen van een woonwagenkamp verbindt. De brug dient als calamiteitenroute voor nood- en hulpdiensten. Appellante, wonend nabij de locatie, maakte bezwaar tegen de vergunning omdat volgens haar toezeggingen was gedaan dat er alleen een voetgangersbrug zou komen.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt deze uitspraak. De Afdeling oordeelt dat het college gebonden is aan de weigeringsgronden van artikel 2.10, eerste lid, Wabo en geen ruimte heeft voor een belangenafweging of het vertrouwensbeginsel in deze situatie.

Appellante kon ook niet zonder meer gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen aan eerdere communicatie uit 2017, mede omdat het om een conceptverslag ging en gewijzigde inzichten mogelijk zijn. De Afdeling concludeert dat het beroep op het vertrouwensbeginsel en de geschiktheid van de brug niet tot weigering van de vergunning kunnen leiden.

Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen de omgevingsvergunning voor de calamiteitenbrug wordt ongegrond verklaard en de vergunning blijft van kracht.

Uitspraak

202502728/1/R1.
Datum uitspraak: 8 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Hoorn,
appellante,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 3 april 2025 in zaak nr. 24/2689 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Hoorn.
Procesverloop
Bij besluit van 23 januari 2024 heeft het college aan de gemeente Hoorn een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een calamiteitenbrug ter hoogte van de Bobeldijkerweg 64 en 66 en de Zomervaart 12 en 13 in Hoorn.
Bij besluit van 18 april 2024 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij mondelinge uitspraak van 3 april 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 2 juni 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. S.J.M. Jaasma, advocaat in Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door C.C.M. Gorter-Haring, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 6 december 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2.       De gemeente Hoorn heeft een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een calamiteitenbrug ter hoogte van de Bobeldijkerweg 64 en 66 en de Zomervaart 12 en 13 in Hoorn. De brug zal een verbinding vormen tussen twee delen van het woonwagenkamp aan de Bobeldijkerweg en de Zomervaart en heeft de functie van calamiteitenroute. Aanleiding hiervoor is dat in het woonwagenkamp aan de kant van de Bobeldijkerweg twee doodlopende wegen zijn die volgens adviezen van de brandweer en de politie niet voldoen aan de Handreiking bluswater en bereikbaarheid van de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord 2021. De calamiteitenbrug is uitsluitend bedoeld als ontsluitingsroute voor nood- en hulpdiensten, ten behoeve waarvan een beweegbaar paaltje zal worden geplaatst.
Ter plaatse geldt - onder meer - het bestemmingsplan "Risdam en Nieuwe Steen-West". Op de gronden waar de calamiteitenbrug is voorzien rust de bestemming "Verkeer-Verblijf". De voor die bestemming aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen en straten, met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning verleend, omdat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan en zich ook geen andere weigeringsgronden als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo voordoen.
[appellante] woont aan de [locatie], in het verlengde van de calamiteitenbrug. [appellante] is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning, omdat het college volgens haar de toezegging heeft gedaan dat op die locatie geen brug voor gemotoriseerd verkeer, maar een voetgangersbrug zou komen.
Beroep op het vertrouwensbeginsel en belangenafweging
3.       [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zij een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan doen. Volgens [appellante] heeft de toenmalige wethouder de toezegging gedaan dat op de bedoelde locatie een voetgangersbrug zou komen, omdat de locatie niet geschikt is voor een brug voor gemotoriseerd verkeer. Hierover zijn afspraken gemaakt met bewoners. Dit blijkt volgens [appellante] uit e-mails van de wethouder van 15 februari 2017 en 17 februari 2017 en uit een op 13 februari 2017 opgemaakt verslag van een gesprek dat plaatsvond op 11 januari 2017, dat [appellante] heeft ingebracht. Voor de voetgangersbrug is in 2017 bovendien een omgevingsvergunning aangevraagd, die het college ook heeft verleend.
Verder betoogt [appellante] dat de belangenafweging die gemaakt moet worden bij het verlenen van de omgevingsvergunning in haar voordeel moet uitvallen, omdat de locatie niet geschikt zal zijn voor een brug voor nood- en hulpverkeer vanwege een te krappe bocht en geparkeerde auto’s.
3.1.    Omdat niet in geschil is dat zich geen weigeringsgronden als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo voordoen, moest het college de gevraagde omgevingsvergunning voor het bouwen van de calamiteitenbrug verlenen. Toetsen aan artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo houdt namelijk in dat het college uitsluitend moet beoordelen of zich één van de in dat artikel opgenomen weigeringsgronden voordoet. Als dat niet het geval is, dan moet het college de gevraagde vergunning verlenen. Als dat wel zo is, dan moet het de gevraagde vergunning weigeren. Het college heeft daarbij dus geen ruimte om een belangenafweging te maken.
Daarom kan geen betekenis toekomen aan het beroep van [appellante] op het vertrouwensbeginsel. Het vertrouwensbeginsel voert in het geval van een gebonden beschikking als hier aan de orde namelijk niet zo ver dat in een dergelijke situatie de omgevingsvergunning niettemin moet worden geweigerd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan alleen daarom al niet slagen, nog daargelaten dat [appellante] naar het oordeel van de Afdeling aan de e-mails en het gespreksverslag uit 2017 ook niet zonder meer het gerechtvaardigde vertrouwen kon ontlenen dat het college ook in het geval van gewijzigde inzichten of omstandigheden geen omgevingsvergunning voor een calamiteitenbrug op de locatie zou verlenen. Ook gaat het, blijkens de tekst, om een concept-verslag.
Omdat artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo geen ruimte biedt voor de door [appellante] gewenste belangenafweging, heeft de rechtbank ook terecht geoordeeld dat wat [appellante] heeft aangevoerd over de geschiktheid van de calamiteitenbrug in dit geval niet kan worden betrokken bij de beoordeling van de omgevingsvergunning.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
4.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Duits, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Duits
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026
817-1093