ECLI:NL:RVS:2026:3953

Raad van State

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
202505413/1/R3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G.T.J.M. Jurgens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.12 WaboArt. 3.9 WaboArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 8:69 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging omgevingsvergunning voor appartementen ondanks bodemverontreiniging

Het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard verleende op 18 januari 2024 een omgevingsvergunning aan Lambrane Ontwikkeling B.V. voor de bouw van 42 appartementen in Ouderkerk aan den IJssel. De vergunning werd verleend ondanks strijd met het bestemmingsplan, op grond van de Wabo. Appellante, wonend tegenover het project, maakte bezwaar vanwege ernstige bodemverontreiniging en de mogelijke gezondheidsrisico’s en schade aan haar woning door bouw- en heiwerkzaamheden.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat diverse saneringen waren uitgevoerd en goedgekeurd, de leeflaag geschikt was voor bewoning, en dat het plan van aanpak voldoende maatregelen bevatte om emissies en schade te voorkomen. De rechtbank vond geen onaanvaardbaar risico voor gezondheid of woning.

Appellante stelde in hoger beroep dat de rechtbank onvoldoende op haar argumenten was ingegaan en dat het dossier onvolledig was. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank gemotiveerd had geoordeeld en dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat niet-besproken argumenten tot een ander oordeel hadden moeten leiden.

De Afdeling bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de omgevingsvergunning ondanks bezwaren over bodemverontreiniging en gezondheidsrisico’s.

Uitspraak

202505413/1/R3.
Datum uitspraak: 8 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Ouderkerk aan den IJssel, gemeente Krimpenerwaard,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 augustus 2025 in zaken nrs. 24/5569 en 24/5673 in het geding tussen onder meer:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard.
Procesverloop
Bij besluit van 18 januari 2024 heeft het college aan Lambrane Ontwikkeling B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van 42 appartementen aan de IJsseldijk-Noord 55c tot en met 61h in Ouderkerk aan den IJssel.
Bij besluit van 17 mei 2024 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 18 januari 2024 in stand gelaten, onder uitbreiding van de onderdelen waarvoor wordt afgeweken van het bestemmingsplan "Bolderkade, Ouderkerk aan den IJssel" (het bestemmingsplan).
Bij uitspraak van 22 augustus 2025 heeft de rechtbank, voor zover van belang, het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college en Lambrane Ontwikkeling B.V. hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 22 juni 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. A.D. Bouwman-van Blarkom en M. van der Kemp, is verschenen. Voorts is op de zitting Lambrane Ontwikkeling B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], bijgestaan door mr. E.J.H. Plambeck, advocaat in Bodegraven, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 28 juli 2023. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wabo en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2.       Op 18 januari 2024 heeft het college aan Lambrane Ontwikkeling B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van 42 appartementen aan de IJsseldijk-Noord 55c tot en met 61h in Ouderkerk aan den IJssel. De appartementen worden gerealiseerd in drie appartementencomplexen. Omdat het bouwplan op onderdelen in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan heeft het college de omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van de Wabo verleend voor de activiteiten bouwen en afwijken van het bestemmingsplan.
[appellante] woont tegenover het projectgebied en kan zich niet verenigen met de verleende omgevingsvergunning. Volgens haar bevat de bouwlocatie, ook na diverse saneringen, nog steeds ernstig vervuilde grond. Zij vreest dat de vervuilde grond met name tijdens de heiwerkzaamheden gevaarlijk zal zijn voor haar gezondheid. Ook vreest zij dat de bouw- en heiwerkzaamheden zullen leiden tot schade aan haar karakteristieke woning.
Aangevallen uitspraak
3.       De rechtbank heeft het beroep van [appellante] ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen.
De rechtbank ziet in de aanwezige bodemverontreiniging en de daarmee samenhangende vrees voor gezondheidsrisico’s geen aanleiding voor het oordeel dat het college de omgevingsvergunning niet had mogen verlenen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit het dossier blijkt dat er diverse saneringen hebben plaatsgevonden die zijn goedgekeurd door het bevoegd gezag. De omgevingsdienst Midden-Holland (de omgevingsdienst) is op basis van rapporten over deze saneringen tot de conclusie gekomen dat de grond geschikt is om op te wonen. Daarbij is van belang dat uit de rapporten volgt dat de leeflaag, die bestaat uit ongeveer 1,5 m klei, zand en grond van elders, de locatie geschikt maakt voor de woonbestemming. Over de uittreding van olie naar het oppervlaktewater heeft de rechtbank overwogen dat er na een aanvullende oeversanering een stabiele eindsituatie is ontstaan. De rechtbank heeft daarnaast overwogen dat er een plan van aanpak "Bouwfase voor IJsseldijk-Noord 56 te Ouderkerk aan den IJssel" van Arnicon B.V. van 29 september 2023 (het plan van aanpak) is opgesteld, waaruit volgt dat de graafwerkzaamheden voor het project een beperkte diepte hebben. Hierdoor zal het afscheidingsdoek tussen de leeflaag en de onderliggende laag industriegrond intact blijven. De heipalen zullen wel dieper de grond ingaan, maar in het plan van aanpak is toegelicht dat gebruik wordt gemaakt van grondverdringende heipalen die een goede afsluiting vormen, zodat lekstromen worden voorkomen. Verder acht de rechtbank het van belang dat in het plan van aanpak is voorgeschreven dat tijdens de grondroerende en grondverdringende werkzaamheden metingen worden verricht om vast te stellen of en in welke mate vluchtige verbindingen vrijkomen als gevolg van deze werkzaamheden. Wanneer uurgemiddeld de signaalwaarde wordt overschreden moeten emissiebeperkende maatregelen worden genomen. Ook worden op advies van de GGD badges opgehangen die schadelijke verbindingen absorberen.
Over het risico op schade aan de woning van [appellante] heeft de rechtbank overwogen dat het college daarin ook geen aanleiding heeft hoeven zien om de gevraagde vergunning te weigeren. Volgens de rechtbank is er geen sprake van een onaanvaardbaar risico op schade als gevolg van de bouw- en heiwerkzaamheden, omdat aan de omgevingsvergunning uitvoeringsvoorschriften zijn verbonden waaruit volgt dat er maatregelen worden getroffen om schade te voorkomen. Mocht er toch onverhoopt schade ontstaan, dan kan [appellante] deze via een andere procedure verhalen op Lambrane Ontwikkeling B.V.
Toetsingskader
4.       Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Hoger beroep [appellante]
5.       [appellante] betoogt dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven, omdat de uitspraak is gebaseerd op onvolledige informatie.      Daarnaast is de rechtbank in de uitspraak volgens [appellante] onvoldoende ingegaan op een aantal van de door haar aangevoerde argumenten en overgelegde documenten die betrekking hebben op haar beroepsgronden over de vervuilde grond op de bouwlocatie, de daarmee samenhangende gezondheidsrisico’s tijdens de heiwerkzaamheden en het grote risico op schade als gevolg van de bouw- en heiwerkzaamheden.
5.1.    De Afdeling overweegt dat [appellante] haar stelling dat de rechtbank niet beschikte over een volledig dossier niet heeft geconcretiseerd door te noemen welke stukken ontbreken. Niet valt in te zien dat zij dat niet had kunnen doen, zodat de Afdeling hierin geen grond ziet voor het oordeel dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.
De Afdeling overweegt daarnaast dat de rechtbank in de uitspraak gemotiveerd is ingegaan op de beroepsgronden van [appellante] over de vervuilde grond op de bouwlocatie, de daarmee samenhangende gezondheidsrisico’s en het gestelde risico op schade. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank over deze gronden en in de onder 6.4 tot en met 6.6 van de aangevallen uitspraak opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt daaraan nog toe dat uit de artikelen 8:69 en 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht niet volgt dat de bestuursrechter in zijn uitspraak op alle aangevoerde argumenten afzonderlijk moet ingaan. Dat is alleen anders als een niet-besproken argument tot een ander oordeel had moeten leiden, maar dat heeft [appellante] in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank heeft zich dus mogen beperken tot de kern van de door [appellante] naar voren gebrachte gronden.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
7.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, griffier.
w.g. Jurgens
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Lap
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026
288-1116