202406705/1/V3.
Datum uitspraak: 22 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 7 oktober 2024 in zaak nr. NL23.35227 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 14 juni 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken.
Bij besluit van 19 oktober 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 7 oktober 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J. Werner, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Appellant klaagt in zijn eerste grief over het oordeel van de rechtbank dat de minister terecht heeft aangenomen dat zijn verblijf als gezinslid bij referent per 1 april 2022 is geëindigd omdat de relatie toen feitelijk is verbroken, en dat de minister zijn verblijfsvergunning met ingang van die datum mocht intrekken. Dit betoog faalt, alleen al omdat niet in geschil is dat het huwelijk op 20 maart 2023 daadwerkelijk is ontbonden. Het betoog van appellant dat er geen deugdelijke wettelijke grondslag is voor een intrekking per 1 april 2022 kan er dus niet toe leiden dat hij rechtmatig verblijf krijgt of herkrijgt.
1.1. Wat appellant in zijn tweede grief heeft aangevoerd, leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Appellant heeft verzocht om prejudiciële vragen te stellen over het begrip ‘werkelijk huwelijks- of gezinsleven’, bedoeld in artikel 16, eerste lid, onder b, van de Gezinsherenigingsrichtlijn, en de implementatie hiervan in nationaal recht. Uit de overweging onder 1 volgt echter dat beantwoording van de door appellant opgeworpen vragen niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, en 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
3. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2026
846