ECLI:NL:RVS:2026:3862
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting in asielprocedure
Verzoekers hebben bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke bij besluit van 13 januari 2026 is afgewezen. Hiertegen hebben verzoekers beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 3 juni 2026 het beroep ongegrond verklaarde. Verzoekers zijn vervolgens in hoger beroep gegaan bij de Raad van State en hebben tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 6 juli 2026 besloten om de voorlopige voorziening toe te wijzen. Dit betekent dat verzoekers niet worden uitgezet totdat het hoger beroep is afgerond. Tevens is de minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van verzoekers, een bedrag van € 934,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De beslissing is genomen op basis van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht, waarbij de voorzieningenrechter de belangen van verzoekers heeft meegewogen en de minister verplicht tot het verlenen van opvang en verstrekkingen gedurende de procedure. De uitspraak is openbaar gedaan en ondertekend door voorzieningenrechter M. Soffers en griffier R.D. Salverda.
Uitkomst: Verzoekers mogen niet worden uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de minister moet proceskosten vergoeden.