ECLI:NL:RVS:2026:3844
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bewaring en uitzetting burger van de Unie ondanks kwijtgeraakt identiteitsdocument
Appellant is op 13 februari 2026 in bewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze bewaring op 6 maart 2026 ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State overweegt dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld bij de uitzetting van appellant, ondanks het kwijtgeraakte identiteitsdocument. De bewaring heeft slechts drie weken geduurd, en er is een vertrekgesprek gevoerd op 17 februari 2026. De Afdeling verwijst naar eerdere jurisprudentie over de duur van bewaring en het evenredigheidsbeginsel bij uitzetting van burgers van de Unie.
Er is geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bewaring en uitzetting van appellant bevestigd.