ECLI:NL:RVS:2026:3794

Raad van State

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
202501754/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.21 WhtArt. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:113 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit college Hengelo over weigering vergoeding woningonderhoud toeslagslachtoffer

Het college van burgemeester en wethouders van Hengelo had een aanvraag van een erkend slachtoffer van de toeslagenaffaire gedeeltelijk ingewilligd en een deel van de gevraagde vergoeding voor woningonderhoud geweigerd. De geweigerde voorzieningen betroffen onder meer het vervangen van binnendeuren, plafonds en stucwerk. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het college het besluit zorgvuldig had voorbereid en dat de voorzieningen niet noodzakelijk waren voor veiligheid of leefbaarheid.

In hoger beroep betoogde appellant dat het college onrechtmatig had gehandeld door een te restrictieve en onvoldoende gemotiveerde beoordeling, in strijd met de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) en algemene bestuursrechtelijke beginselen. De Afdeling oordeelde dat het college onvoldoende zicht had op de feitelijke staat van de woning, omdat het bouwtechnisch rapport niet was gericht op de criteria veiligheid en leefbaarheid en de woning niet was bezocht door een deskundige.

De Afdeling vernietigde het besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat het college binnen 13 weken een nieuw besluit moet nemen, waarbij een deskundige de woning moet bezoeken om de noodzaak van de voorzieningen te beoordelen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het besluit van het college wordt vernietigd en het college moet binnen 13 weken een nieuw besluit nemen na deskundige beoordeling van de woning.

Uitspraak

202501754/1/A2.
Datum uitspraak: 1 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Hengelo,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 14 februari 2025 in zaak nr. 24/2159 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Hengelo.
Procesverloop
Bij besluit van 22 september 2023 heeft het college een aanvraag van [appellant] om brede ondersteuning gedeeltelijk ingewilligd.
Bij besluit van 16 februari 2024 heeft het college, voor zover hier van belang, het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 14 februari 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 30 april 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. Y.N. Teke-Bozkurt, advocaat in Enschede, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.S. van Dijk, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       Deze uitspraak gaat over de zogenoemde brede ondersteuning voor erkende slachtoffers van de toeslagenaffaire. De ondersteuning is bedoeld voor het maken van een nieuwe start na de problemen die zij als gevolg van de toeslagenproblematiek hebben ervaren. Uitgangspunt is daarbij dat de betrokkene en zijn eventuele gezinsleden zo snel en zo goed als mogelijk hun leven weer op de rit krijgen.
2.       [appellant] en zijn echtgenote zijn erkend als gedupeerden van de toeslagenaffaire. Zij hebben zich op 17 november 2022 bij het college gemeld voor brede ondersteuning.
3.       Op grond van artikel 2.21, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht) kan het college brede ondersteuning bieden op vijf leefgebieden: financiën, gezin, werk, wonen en zorg. In het geval van [appellant] is het geschil beperkt tot ondersteuning op het leefgebied wonen. [appellant] vindt dat het college ten onrechte heeft geweigerd een vergoeding toe te kennen voor de kosten van het vervangen/aanbrengen van drie binnendeuren, het vervangen van de plafonds door de gehele woning en voor het vergoeden van stucwerkzaamheden.
Besluitvorming
4.       In het besluit van 22 september 2023 heeft het college uiteengezet dat het uitgangspunt van brede ondersteuning in de gemeente Hengelo is dat een afweging tussen wens en noodzaak wordt gemaakt. Volgens het college wordt woningonderhoud als noodzakelijk gezien als dit bijdraagt aan de veiligheid en leefbaarheid van de woning. Onder veiligheid wordt verstaan dat de bewoners geen gezondheidsschade oplopen door bewoning van de woning. Onder leefbaarheid wordt verstaan dat de bewoners zonder belemmeringen kunnen voorzien in hun dagelijkse behoeften. Als het woningonderhoud niet bijdraagt aan de veiligheid en leefbaarheid van de woning, wordt voor de kosten daarvan geen vergoeding toegekend.
Het college heeft op basis van een bouwtechnisch onderzoeksrapport van 10 augustus 2023, gelezen in samenhang met een toelichting en een nadere duiding van dat rapport van 20 september 2023, een vergoeding van € 152.883,00 voor de kosten van woningonderhoud toegekend. Dit bedrag is onder meer bestemd voor herstel of vervanging van het dak, de kozijnen, de dakgoten, de vloer in de woonkamer en de cv-ketel en voor het herstel van lekkages en scheuren in de buitenmuur. Het college heeft geweigerd om een vergoeding te verlenen voor de kosten van het herstel of vervanging van thermopane ramen, drie binnendeuren, plafonds, schilderwerk, stucwerk en voorzieningen voor de garage voor een bedrag van in totaal € 106.102,00. Volgens het college gaat het hierbij voornamelijk om de verbetering van het woongenot.
Uitspraak van de rechtbank
5.       Volgens de rechtbank heeft het college, door op basis van de informatie in het bouwtechnisch onderzoeksrapport van 10 augustus 2023 en de informatie van de bouwkundige van het college een besluit te nemen, dat besluit zorgvuldig voorbereid. Het college heeft beoordeeld of de voorzieningen op het leefgebied wonen noodzakelijk zijn voor het maken van een nieuwe start en voor een veilig en leefbaar huis. Hiermee heeft het college invulling gegeven aan de brede ondersteuning op het leefgebied wonen. Het college heeft zich binnen dit kader in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het vervangen/aanbrengen van drie binnendeuren, het vervangen van de plafonds door de gehele woning en de stucwerkzaamheden niet aan deze criteria voldoen. De door [appellant] overgelegde medische documenten leiden niet tot een ander oordeel. Niet aannemelijk is dat de daarin opgenomen informatie in directe relatie staat tot de geweigerde voorzieningen op het leefgebied wonen. Het college heeft de door [appellant] gevraagde vergoeding voor het vervangen/aanbrengen van drie binnendeuren, het vervangen van de plafonds door de gehele woning en de stucwerkzaamheden daarom in redelijkheid kunnen afwijzen, aldus de rechtbank.
Oordeel van de Afdeling over het hoger beroep
6.       [appellant] is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank. [appellant] vindt dat de rechtbank heeft miskend dat het college in strijd met het doel en de strekking van de Wht en met een aantal algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld. De Afdeling zal hierna een oordeel geven over de gronden van het hoger beroep.
7.       Op de zitting van de Afdeling heeft het college desgevraagd toegelicht dat de eisen van de criteria veiligheid en leefbaarheid niet cumulatief gelden. Vergoedingen voor woningonderhoud kunnen noodzakelijk zijn wanneer deze niet bijdragen aan de veiligheid van de woning, maar wel aan de leefbaarheid daarvan, of omgekeerd.
Doel en strekking van de Wht
8.       [appellant] betoogt dat de weigering van de gevraagde voorzieningen voor woningonderhoud in strijd is met het doel en de strekking van de Wht. Volgens [appellant] had het college de aanvraag niet restrictief of uitsluitend financieel mogen beoordelen, maar had het een brede, sociale en empathische benadering moeten hanteren, met oog voor de menselijke maat en het beoogde herstel in brede zin. [appellant] verwijst hierbij naar de geschiedenis van de totstandkoming van de Wht.
8.1.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat kosten van woningonderhoud alleen in aanmerking komen voor vergoeding op grond van brede ondersteuning op het leefgebied wonen als woningonderhoud noodzakelijk is voor de veiligheid of leefbaarheid van de woning. Daarbij is van belang dat het college beslissingsruimte heeft bij de toepassing van artikel 2.21, eerste lid, van de Wht. Het college mag een afweging maken tussen wat wenselijk is en wat noodzakelijk is en onderscheid maken tussen voorzieningen die noodzakelijk zijn voor de veiligheid of leefbaarheid van de woning en voorzieningen die zien op verbetering van het woongenot. Dit uitgangspunt is niet in strijd met het doel en de strekking van de Wht. Dat de hersteloperatie is gericht op maatwerk, het wegnemen van wantrouwen en het herstellen van vertrouwen, brengt niet mee dat het door het college gemaakte onderscheid onrechtmatig is.
8.2.    Het betoog slaagt niet.
Evenredigheidsbeginsel
9.       [appellant] betoogt verder dat het college in strijd met het evenredigheidsbeginsel heeft gehandeld. Hij vindt dat de afwijzing van de relatief beperkte resterende gevraagde voorzieningen in woningonderhoud, binnen een context waarin al een groot bedrag is toegekend, niet in verhouding staat tot zijn belang bij een volledig herstel van zijn woning en leefomgeving.
9.1.    Dat het college voor een groot bedrag een vergoeding voor een deel van de door [appellant] gewenste voorzieningen heeft toegekend, brengt niet met zich dat het college niet, zonder in strijd met het evenredigheidsbeginsel te handelen, kan weigeren om een vergoeding voor de resterende voorzieningen toe te kennen. Het college heeft bij de beoordeling van de gevraagde voorzieningen mogen vasthouden aan de in rechtsoverweging 4 vermelde criteria (veiligheid en leefbaarheid). Wat [appellant] heeft aangevoerd, biedt geen grond voor het oordeel dat onverkorte toepassing van deze criteria in zijn geval tot zodanige nadelige gevolgen leidt, dat het college op grond van het evenredigheidsbeginsel van deze criteria had moeten afwijken. Dat hij, naar hij stelt, een belang heeft bij een volledig herstel van zijn woning en leefomgeving, is daarvoor onvoldoende.
9.2.    Het betoog slaagt niet.
Motiveringsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel
10.     [appellant] betoogt tot slot dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college het besluit zorgvuldig heeft voorbereid. Het college heeft niet gemotiveerd waarom een woning zonder binnendeuren als leefbaar wordt aangemerkt en waarom plafondplaten, die deels loslaten of beschadigd zijn, geen risico vormen of geen negatieve invloed hebben op zijn geestelijke gesteldheid. Verder heeft het college ten onrechte aangenomen dat de vocht- en schimmelproblematiek na het herstel van het dak, de muren en de afvoer vanzelf wordt verholpen. In het bouwtechnisch onderzoeksrapport is vermeld dat de plafonds door de gehele woning moeten worden vervangen en dat de wandsystemen, waaronder ook het stucwerk, moeten worden afgewerkt en hersteld. Volgens [appellant] heeft het college, gelet op de inhoud van dat rapport, onvoldoende gemotiveerd waarom het vervangen/aanbrengen van drie binnendeuren, het vervangen van de plafonds door de gehele woning en de stucwerkzaamheden niet noodzakelijk zijn voor de veiligheid en leefbaarheid van de woning.
10.1.  In de toelichting bij het besluit en de nadere duiding van het bouwtechnisch onderzoeksrapport is vermeld dat het vervangen/aanbrengen van drie binnendeuren en het vervangen van plafonds in de woning betrekking heeft op het interieur, maar het interieur geen directe impact heeft op de veiligheid of leefbaarheid van de woning. Om die reden bestaat er geen aanleiding voor het vergoeden van de kosten van deze voorzieningen. Voor het repareren van loslatend stucwerk van de woning door vocht in de muren heeft het college in de toelichting en nadere duiding vermeld dat dit wel de leefbaarheid raakt, maar niet de veiligheid. Door het herstellen van het dak, de muren en een goed werkende afvoer wordt in de meest voorkomende gevallen een vochtprobleem opgelost, aldus het college.
10.2.  Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college bij de besluitvorming onvoldoende kunnen beoordelen of de geweigerde voorzieningen voldoen aan de criteria van veiligheid of leefbaarheid. Het bouwtechnisch onderzoeksrapport van de externe deskundige, waarop de toelichting en nadere duiding zijn gebaseerd, is opgesteld in verband met de verkoop van de woning. De keuring was niet gericht op de vraag of de gevraagde voorzieningen noodzakelijk zijn voor de veiligheid of leefbaarheid van de woning. Hoewel de toelichting en de nadere duiding door een deskundige medewerker van de gemeente zijn opgesteld aan de hand van de criteria veiligheid en leefbaarheid, heeft deze medewerker de woning niet zelf bezocht. Daardoor beschikte het college niet over een volledig beeld van de feitelijke staat van de woning. Hierbij is van belang dat in het bouwtechnisch onderzoeksrapport geen foto’s zijn opgenomen. Dit heeft ertoe geleid dat het college bij de besluitvorming onvoldoende zicht had op de ernst van de gebreken en de gevolgen daarvan voor de veiligheid en leefbaarheid van de woning. Verder heeft het college niet weersproken dat, zoals [appellant] heeft gesteld, sprake is van schimmelproblematiek, loslatende plafonddelen en ontbrekende binnendeuren. Zonder beoordeling van de feitelijke staat van de woning aan de hand van de criteria veiligheid en leefbaarheid, heeft het college niet deugdelijk kunnen beoordelen of de geweigerde voorzieningen slechts zien op verbetering van het woongenot, of ook noodzakelijk zijn voor de veiligheid of leefbaarheid van de woning.
10.3.  Gelet op het voorgaande is het besluit van het college op deze punten onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
10.4.  Het betoog slaagt.
Conclusie
11.     Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling zal doen wat de rechtbank had moeten doen en het beroep tegen het besluit van 16 februari 2024 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit is in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genomen. De Afdeling zal dat besluit daarom vernietigen.
12.     Het college moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar van [appellant]. De Afdeling zal het college daartoe een termijn stellen. Het college moet beoordelen of het vervangen/aanbrengen van de drie binnendeuren, het vervangen van de plafonds en de stucwerkzaamheden noodzakelijk zijn voor de veiligheid of leefbaarheid van de woning. Daarbij moet het college een deskundige de woning laten bezoeken om, met inachtneming van deze criteria, de feitelijke staat van de woning te beoordelen.
13.     Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.
14.     Het college moet de proceskosten voor het beroep en het hoger beroep vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 14 februari 2025 in zaak nr. 24/2159;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.     vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hengelo van 16 februari 2024;
V.      draagt het college van burgemeester en wethouders van Hengelo op om binnen 13 weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
VI.     bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
VII.     veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hengelo tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.736,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VIII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Hengelo aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 330,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, voorzitter, en mr. C.H. Bangma en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.
w.g. Meijer
voorzitter
w.g. Hazen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026
452-1189