ECLI:NL:RVS:2026:3769
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitspraak rechtbank inzake machtiging voorlopig verblijf
De minister van Asiel en Migratie heeft op 19 maart 2024 een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf voor betrokkenen afgewezen. Na een bezwaarprocedure verklaarde de minister het bezwaar ongegrond op 28 januari 2025. Betrokkenen stelden beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 20 mei 2026 het beroep gegrond verklaarde, het besluit vernietigde en de minister opdroeg een nieuw besluit te nemen.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening, zodat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoefde uit te voeren totdat het hoger beroep was beslist. De voorzieningenrechter overwoog dat de beoordeling van de grieven nader onderzoek vereist en dat de procedure voor een voorlopige voorziening niet geschikt is.
Gezien de belangen van beide partijen zag de voorzieningenrechter geen aanleiding om de voorlopige voorziening toe te kennen. Het verzoek werd daarom afgewezen en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het verzoek van de minister om een voorlopige voorziening te treffen tegen de uitspraak van de rechtbank wordt afgewezen.