ECLI:NL:RVS:2026:3728

Raad van State

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
BRS.26.002790
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bewaring vreemdeling door minister na beroep

Bij besluit van 22 mei 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld. Appellant stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 4 juni 2026 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees.

Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Tevens werd verwezen naar eerdere uitspraken en jurisprudentie die de zaak voldoende behandelen.

De Afdeling zag geen reden om het besluit tot bewaring onrechtmatig te achten en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Het hoger beroep werd daarmee ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot bewaring wordt bevestigd.

Uitspraak

BRS.26.002790
Datum uitspraak: 30 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appllant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 4 juni 2026 in zaak nr. NL26.29009 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 22 mei 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 4 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S.T.V. Le, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1.        Het hoger beroep gaat onder meer over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 24 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4294, onder 4.1 - 4.3, over de uitreiking van een verwijderingsbesluit). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
1.2.        Ook zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).
2.        De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026
47