ECLI:NL:RVS:2026:3695
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking verblijfsvergunning ondanks ouderschapsplan en beroep op EU- en EVRM-rechten
Appellant kreeg op 12 maart 2025 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, die door de minister van Asiel en Migratie werd ingetrokken. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze intrekking, waarbij hij onder meer verwees naar een ouderschapsplan van november 2024 en zijn zorg- en opvoedingsverplichtingen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad van State bevestigt deze uitspraak. Hoewel de rechtbank niet volledig heeft gemotiveerd waarom er ondanks het ouderschapsplan twijfels zijn over de naleving daarvan, is geoordeeld dat appellant niet aantoont dat hij dagelijks invulling geeft aan zijn zorg- en opvoedingstaken of een zodanig gezinsleven heeft dat verblijf gerechtvaardigd is.
De Raad van State overweegt dat de minister de intrekking deugdelijk heeft gemotiveerd en dat appellant niet in aanmerking komt voor verblijf op grond van artikel 20 VWEU Pro of artikel 8 EVRM Pro. Het hoger beroep bevat geen vragen die de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin dienen, noch vragen over Unierecht. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De intrekking van de verblijfsvergunning wordt bevestigd en het hoger beroep en verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen.