ECLI:NL:RVS:2026:3693
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake proceskostenveroordeling in asielzaak
Appellant had een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 30 juni 2023 werd ingewilligd. De rechtbank Den Haag had bij uitspraak van 19 mei 2026 het beroep van appellant gegrond verklaard en het besluit vernietigd voor zover de ingangsdatum van de verblijfsvergunning was vastgesteld op 6 oktober 2022, en deze datum gewijzigd naar 8 augustus 2022. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan appellant van € 934,00.
Appellant stelde hoger beroep in tegen de proceskostenveroordeling, stellende dat de rechtbank ten onrechte slechts één punt had toegekend voor het indienen van het beroepschrift, terwijl ook een zitting had plaatsgevonden waar zijn gemachtigde aanwezig was. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de grief gegrond was en dat de proceskostenveroordeling diende te worden verhoogd naar € 1.868,00. Daarnaast werd een wegingsfactor van 0,5 toegepast op de proceskosten voor het hoger beroep vanwege de eenvoudige aard van het geschil.
De Afdeling vernietigde het bestreden deel van de uitspraak en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellant in verband met zowel het beroep als het hoger beroep, tot een bedrag van € 2.335,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak werd gedaan door lid van de enkelvoudige kamer H.G. Sevenster op 26 juni 2026.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt het deel van de uitspraak over de proceskosten en veroordeelt de minister tot vergoeding van hogere proceskosten aan appellant.