ECLI:NL:RVS:2026:3693

Raad van State

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
BRS.26.002836
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank inzake proceskostenveroordeling in asielzaak

Appellant had een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 30 juni 2023 werd ingewilligd. De rechtbank Den Haag had bij uitspraak van 19 mei 2026 het beroep van appellant gegrond verklaard en het besluit vernietigd voor zover de ingangsdatum van de verblijfsvergunning was vastgesteld op 6 oktober 2022, en deze datum gewijzigd naar 8 augustus 2022. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan appellant van € 934,00.

Appellant stelde hoger beroep in tegen de proceskostenveroordeling, stellende dat de rechtbank ten onrechte slechts één punt had toegekend voor het indienen van het beroepschrift, terwijl ook een zitting had plaatsgevonden waar zijn gemachtigde aanwezig was. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de grief gegrond was en dat de proceskostenveroordeling diende te worden verhoogd naar € 1.868,00. Daarnaast werd een wegingsfactor van 0,5 toegepast op de proceskosten voor het hoger beroep vanwege de eenvoudige aard van het geschil.

De Afdeling vernietigde het bestreden deel van de uitspraak en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellant in verband met zowel het beroep als het hoger beroep, tot een bedrag van € 2.335,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak werd gedaan door lid van de enkelvoudige kamer H.G. Sevenster op 26 juni 2026.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt het deel van de uitspraak over de proceskosten en veroordeelt de minister tot vergoeding van hogere proceskosten aan appellant.

Uitspraak

BRS.26.002836
Datum uitspraak: 26 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 19 mei 2026 in zaak nr. NL23.19532 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 30 juni 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.
Bij uitspraak van 19 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover daarin de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is vastgesteld op 6 oktober 2022, de ingangsdatum van die verblijfsvergunning vastgesteld op 8 augustus 2022, bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit en de minister veroordeeld in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 934,00.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.A. Krikke, advocaat in Bussum, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        Appellant betoogt in zijn enige grief terecht dat de rechtbank bij de proceskostenveroordeling ten onrechte alleen een punt heeft toegekend voor het indienen van het beroepschrift. In deze zaak heeft de rechtbank immers ook een zitting gehouden waar de gemachtigde van appellant is verschenen en niet is gebleken van een reden om af te zien van het toekennen van een punt daarvoor. De rechtbank had daarom de minister in de proceskosten van appellant moeten veroordelen tot een bedrag van € 1.868,00. De grief slaagt dus.
1.1.        Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
2.        Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevallen, dat wil zeggen voor zover de rechtbank de minister heeft veroordeeld in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 934,00 in plaats van € 1.868,00. De minister moet ook de proceskosten in hoger beroep vergoeden. De Afdeling past bij de proceskosten voor het hoger beroep een wegingsfactor licht (factor 0,5) toe, omdat het hoger beroep alleen gaat over de proceskostenveroordeling en van eenvoudige aard is.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 19 mei 2026 in zaak nr. NL23.19532, voor zover de rechtbank de minister van Asiel en Migratie heeft veroordeeld in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 934,00;
III.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.335,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dallinga
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2026
18