ECLI:NL:RVS:2026:368

Raad van State

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
202305206/1/R1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.12 WaboArt. 4 BorArt. 8:69a AwbArt. 8:113 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing omgevingsvergunning dakopbouw en dakterras in Amsterdam

Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam verleende op 31 januari 2020 een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een dakopbouw met dakterras op een woning aan de locatie in Amsterdam. Appellant, wonend aan de achterzijde, maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college en de rechtbank ongegrond werd verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaarde het hoger beroep van appellant in 2023 gegrond en vernietigde het besluit van het college, waarna het college een nieuw besluit nam dat opnieuw het bezwaar ongegrond verklaarde.

De Afdeling heeft het nieuwe besluit van het college op 21 januari 2026 behandeld en overwogen dat het college de vergunning mocht verlenen ondanks een geringe overschrijding van de maximale bouwhoogte. Het college had de stedenbouwkundige aanvaardbaarheid van de dakopbouw voldoende gemotiveerd, mede gelet op de bestaande bouwhoogtes in de omgeving en de specifieke beleidsregels. De achterzijde van de dakopbouw leidt niet tot onaanvaardbare effecten op bezonning en privacy van appellant.

Ten aanzien van het dakterras oordeelde de Afdeling dat de beleidsregel die een afstand van 1 meter tot de zijdelingse perceelsgrens voorschrijft, niet strekt tot bescherming van appellant omdat zijn woning niet zijdelings grenst aan de woning met de dakopbouw. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor dakopbouw en dakterras wordt ongegrond verklaard en het collegebesluit blijft in stand.

Uitspraak

202305206/1/R1.
Datum uitspraak: 21 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het beroep van:
[appellant], wonend in Amsterdam,
appellant,
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,
verweerder
Procesverloop
Bij besluit van 31 januari 2020 heeft het college aan [partij] (thans: [partij A] en [partij B] in Amsterdam) een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een dakopbouw met een dakterras op de woning aan de [locatie 1] in Amsterdam.
Bij besluit van 4 augustus 2020 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 10 februari 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 12 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1449, verzonden op diezelfde datum, heeft de Afdeling het hoger beroep van [appellant] gegrond verklaard. De Afdeling heeft het besluit van 4 augustus 2020 vernietigd en het college opgedragen binnen 12 weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van [appellant] en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken. Verder heeft de Afdeling bepaald dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.
Bij besluit van 4 juli 2023 heeft het college het bezwaar van [appellant] opnieuw ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[partij A] en [partij B] hebben een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
Het college heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 december 2025, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. M. van Looij, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij A], bijgestaan door mr. M. Sikkes, rechtsbijstandverlener in Apeldoorn, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 25 juli 2019. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2.       Het besluit van 31 januari 2020 waarmee het college de omgevingsvergunning heeft verleend, ziet op een dakopbouw en een dakterras aan de [locatie 1]. De vergunning is verleend voor het bouwen van een bouwwerk en voor het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan. Het gebouwencomplex waar de woning aan de [locatie 1] onderdeel van is, wordt omringd door de Maria Austriastraat, de Lumièrestraat en de Erich Salomonstraat. Aan de kant van de Maria Austriastraat en de Erich Salomonstraat heeft het gebouwencomplex een hoogte van vier bouwlagen. Het middengedeelte aan de Willy Mullenskade kent in de bestaande situatie drie bouwlagen. Dat geldt ook voor de woning op [locatie 1]. [appellant] woont aan de achterzijde van de Willy Mullenskade, aan de [locatie 2]. De afstand van de achtergevel van de woning aan de [locatie 1] tot aan de achtergevel van de woning aan de [locatie 2] bedraagt ongeveer 35 meter.
Ter plaatse gold ten tijde van het besluit van 31 januari 2020 het bestemmingsplan "IJburg 1e fase". Op het perceel rust op grond van het bestemmingsplan de bestemming "Wonen".
Het college heeft met het besluit van 4 augustus 2020 het bezwaar van [appellant] ongegrond verklaard en de bij besluit van 31 januari 2020 verleende vergunning in stand gelaten. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] tegen het besluit van 4 augustus 2020 ongegrond verklaard.
3.       De Afdeling heeft in de uitspraak van 12 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1449, het hoger beroep van [appellant] gegrond verklaard en het besluit van 4 augustus 2020 vernietigd. Bij de behandeling van het hoger beroep is aan de hand van de tekeningen bij de vergunningaanvraag door de Afdeling vastgesteld dat de voorziene dakopbouw een hoogte heeft van 13,04 meter. Het college was er ten onrechte van uitgegaan dat de bouwhoogte inclusief de dakopbouw tot een hoogte van 12,65 meter zou reiken. Daarmee werd niet voldaan aan de maximaal toegestane bouwhoogte van 13 meter die artikel 39.2 van de planregels mogelijk maakt. De rechtbank had dat niet onderkend. Naar het oordeel van de Afdeling had het college niet op deugdelijke wijze gemotiveerd waarom artikel 42, aanhef en onder d, sub 3, van de planregels gebruikt kan worden om, in afwijking van de maximale bouwhoogte aan de voorzijde, een vergunning te verlenen.
De Afdeling heeft in haar uitspraak met het oog op een efficiënte en spoedige beëindiging van het geschil aanleiding gezien met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te bepalen dat tegen het nieuw te nemen besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.
Het besluit van 4 juli 2023
4.       Het college heeft met het besluit van 4 juli 2023, onder aanvulling van de motivering, het besluit van 31 januari 2020 in stand gelaten. Het college heeft aanleiding gezien voor de voorzijde van de dakopbouw vergunning te verlenen op grond van artikel 2.10 en artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1˚, van de Wabo in samenhang met artikel 42, aanhef en onder d, sub 3, van de planregels. De achterzijde van de dakopbouw heeft het college vergund met toepassing van artikel 2.10 en artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wabo in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 4, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Het college heeft ten slotte vergunning verleend voor het dakterras op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1˚, van de Wabo in samenhang met artikel 42, aanhef en onder d, sub 4, van de planregels.
Wet- en regelgeving
5.       De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Procedureel
6.       [appellant] wijst erop dat het college het besluit van 4 juli 2023 pas door verzending aan hem bekend heeft gemaakt op 25 juli 2023. Dat is buiten de termijn die de Afdeling heeft gesteld in haar uitspraak van 12 april 2023. Alleen al daarom moet volgens [appellant] het besluit worden vernietigd.
6.1.    Het betoog van [appellant] dat het college heeft nagelaten binnen de door de Afdeling gestelde termijn het nieuwe besluit bekend te maken, kan niet leiden tot het daarmee beoogde doel. Er is namelijk geen rechtsregel waaruit volgt dat een besluit dat te laat bekend is gemaakt, om die reden onrechtmatig is. Overigens had [appellant] de mogelijkheid om afzonderlijk beroep in te stellen tegen het niet tijdig bekend maken van een besluit.
Het betoog slaagt niet.
Heeft het college de vergunning mogen verlenen?
7.       [appellant] betoogt dat het college de vergunning niet heeft mogen verlenen voor de dakopbouw en het dakterras. Daartoe voert [appellant] ten eerste aan dat het college wat betreft de voorzijde van de dakopbouw geen acht heeft geslagen op de stedenbouwkundige aanvaardbaarheid van het bouwplan als bedoeld in artikel 42, aanhef en onder d, sub 3 van de planregels. Verder voert hij aan dat het college de regels uit de Beleidsregels Afwijken omgevingsvergunning Stadsdeel Oost 2018 (hierna: de beleidsregels) ten onrechte niet in aanmerking heeft genomen bij het verlenen van de vergunning. De achterzijde van de dakopbouw is namelijk in strijd met voorwaarden 6 en 7 van paragraaf 7.4 IJburg (gebied D). De dakopbouw leidt voor [appellant] dan ook tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat wat betreft zijn privacy en de bezonning. Ten slotte is de vergunning voor het dakterras verleend in strijd met voorwaarde 6 uit paragraaf 8.1 Dakterrassen op hoofdgebouwen (gebied A) van de beleidsregels, aldus [appellant].
7.1.    Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
7.2.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college de omgevingsvergunning voor het plaatsen van de dakopbouw en het dakterras mogen verlenen. De Afdeling overweegt daartoe als volgt.
7.3.    In paragraaf 7.4 IJburg (gebied D) staat een aantal voorwaarden opgenomen voor het realiseren van (onder andere) dakopbouwen binnen het gebied IJburg. Het college heeft vastgesteld dat het bouwplan niet voldoet aan de in deze paragraaf gestelde voorwaarden. Het college heeft echter aanleiding gezien om paragraaf 3.2 van de beleidsregels toe te passen. In deze paragraaf staat dat indien een bouwplan niet past binnen deze beleidsregels, door het college wordt overwogen of maatwerk aan de orde is. Maatwerk is van toepassing op situaties die zodanig specifiek zijn dat algemene beleidsregels niet toereikend zijn voor een zorgvuldige afweging ten aanzien van de wenselijkheid van bouwplannen. In zo’n geval wordt locatiespecifiek beoordeeld of het bouwplan wenselijk en verantwoord is.
De voorzijde van de dakopbouw
7.4.    Op grond van de verbeelding in samenhang bezien met de regels van het bestemmingsplan is een maximale bouwhoogte aan de voorzijde toegestaan van 12 meter. Op grond van artikel 39.2 van de planregels is het toegestaan om deze 12 meter met 1 meter te overschrijden. Dit betekent dat het bestemmingsplan een maximale bouwhoogte van 13 meter toestaat. Met het bouwplan wordt de maximale bouwhoogte met 4 centimeter overschreden. Op grond van artikel 42, aanhef en onder d, sub 3 van de planregels heeft het college de bevoegdheid om bij een omgevingsvergunning van de maximale bouwhoogte af te wijken met ten hoogste 3 meter ten behoeve van een dakopbouw, mits de realisatie van deze dakopbouw stedenbouwkundig aanvaardbaar is. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de overschrijding van 4 centimeter geen invloed heeft van stedenbouwkundige betekenis, omdat deze overschrijding nauwelijks waarneembaar is. De Afdeling begrijpt het college daarbij aldus dat eveneens bij de beoordeling is betrokken dat met een hoogte van 13,04 meter wordt aangesloten bij de bestaande hoogte van de hoeken van het gebouwencomplex aan de Maria Austriastraat en de Erich Salomonstraat. Het college heeft daarom geconcludeerd dat de overschrijding vanuit stedenbouwkundig oogpunt akkoord is.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college met het bovenstaande deugdelijk gemotiveerd waarom de realisatie van de dakopbouw wat betreft de voorzijde stedenbouwkundig aanvaardbaar is als bedoeld in artikel 42, aanhef en onder d, sub 3 van de planregels. Ook heeft het college deugdelijk gemotiveerd waarom gelet op de locatiespecifieke omstandigheden het bouwplan wat betreft de voorzijde wenselijk en verantwoord is als bedoeld in paragraaf 3.2 van de beleidsregels. In wat [appellant] aanvoert ziet de Afdeling geen aanleiding voor de conclusie dat het college zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat het bouwplan wat betreft de voorzijde uit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
De achterzijde van de dakopbouw
7.5.    Het college heeft wat betreft de wenselijkheid van de achterzijde van de dakopbouw toegelicht dat in deze specifieke situatie sprake is van een bouwvlak aan de voorzijde dat loopt over de volledige breedte van het bouwblok tot een hoogte van in totaal 13 meter. Daardoor zou er op dit specifieke bouwblok een reeks aan opbouwen tot een hoogte van 13 meter kunnen komen die aan de voorgevelrooilijn maar een beperkte oppervlakte hebben met een diepte van 3 meter. Een diepte van 3 meter is volgens het college een laagwaardige toevoeging. Hiermee is de kans groot dat er een onvolledige reeks ontstaat op het bouwblok. Door met het besluit van 4 juli 2023 een hoogwaardige toevoeging toe te staan, kan er een volwaardige dakopbouw worden gerealiseerd die dieper is. Wat betreft de maximale verdiepingshoogte is aangesloten bij de reeds bestaande hoogte van de hoeken van het gebouwencomplex aan de Maria Austriastraat en de Erich Salomonstraat, die vier verdiepingen tellen. Daardoor ontstaat volgens het college een goede heldere ruimtelijke overgang van nieuwe op bestaande bouw en wordt voorkomen dat er een rommelig beeld ontstaat. Daarmee is de hoogte stedenbouwkundig gezien akkoord, aldus het college. Verder stelt het college zich op het standpunt dat de dakopbouw aan de achterzijde vanwege de afstand tot de achtergevel geen onaanvaardbare effecten heeft op bezonning en privacy van [appellant]. [appellant] heeft niet geconcretiseerd waarom het college zich niet op dit standpunt mocht stellen.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college met het bovenstaande deugdelijk gemotiveerd waarom het aanleiding heeft gezien om een omgevingsvergunning te verlenen voor de achterzijde van de dakopbouw. Daarbij heeft het college eveneens deugdelijk gemotiveerd waarom het bouwplan wat betreft de achterzijde en gelet op de locatiespecifieke omstandigheden wenselijk en verantwoord is als bedoeld in paragraaf 3.2 van de beleidsregels. Het college heeft daarbij bovendien het woon- en leefklimaat van omwonenden bij de beoordeling betrokken. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de dakopbouw leidt tot een aanmerkelijke verslechtering van zijn woon- en leefklimaat.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
Het dakterras
7.6.    Artikel 8:69a van de Awb luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.
In de toelichting op paragraaf 8.1 van de beleidsregels staat dat om de privacy van omwonenden te waarborgen een afstand van 1 meter tot de zijdelingse perceelsgrens moet worden aangehouden. Als de buren vervolgens ook een dakterras realiseren, dienen zij ook 1 meter afstand tot aan de perceelsgrens te houden. Op deze wijze is er altijd 2 meter afstand tussen de buitenruimten van elkaar waardoor de privacy voldoende is gewaarborgd.
De Afdeling overweegt dat gelet op deze toelichting voorwaarde 6 uit paragraaf 8.1 van de beleidsregels kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van [appellant] omdat zijn woning niet zijdelings grenst aan de woning op de [locatie 1]. De Afdeling geeft daarom geen inhoudelijk oordeel over deze beroepsgrond.
Ook in zoverre slaagt het betoog niet.
Conclusie
8.       Het beroep is ongegrond.
9.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Denters, griffier.
w.g. Besselink
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Denters
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026
195-1124
Bijlage
Wet- en regelgeving
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
[…]
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
[…].
Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
[…].
Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht
Artikel 4
Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:
[…]
4. een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw;
[…].
Regels van het bestemmingsplan "IJburg 1e fase, 2013"
Artikel 22.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Wonen - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. wonen;
b. aan-huis-verbonden beroepen en - bedrijven;
c. short stay;
d. ter plaatse van de aanduiding 'gemengd' zijn bedrijven, consumentverzorgende en zakelijke dienstverlening, creatieve functies, kantoren en maatschappelijke dienstverlening toegestaan in de eerste bouwlaag, de kelder en het souterrain en daar waar aangeduid met:
1. 'specifieke vorm van wonen - niet-woonfunctie tweede bouwlaag' ook in de tweede bouwlaag;
2. 'specifieke vorm van wonen - niet-woonfunctie meerdere bouwlagen' ook in de tweede t/m de vierde bouwlaag;
e. ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel' is detailhandel toegestaan in de eerste bouwlaag, de kelder en het souterrain en daar waar aangeduid met 'specifieke vorm van wonen - niet-woonfunctie tweede bouwlaag' ook in de tweede bouwlaag;
f. ter plaatse van de aanduiding 'horeca van categorie IV' is horeca IV toegestaan in de eerste bouwlaag, de kelder en het souterrain en daar waar aangeduid met 'specifieke vorm van wonen - niet-woonfunctie tweede bouwlaag' ook in de tweede bouwlaag;
g. ter plaatse van de aanduiding 'bed & breakfast' is een bedrijf toegestaan, dat met behoud van de woonfunctie door ten minste de hoofdbewoner in een woning wordt uitgeoefend en die voorziet in het verstrekken van nachtverblijf voor maximaal 8 personen voor korte tijd, waarbij het verstrekken van maaltijden en/of dranken aan de logerende gasten ondergeschikt is;
h. ter plaatse van de aanduiding 'zorginstelling' is een zorginstelling toegestaan;
i. ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage' is parkeren toegestaan in de eerste bouwlaag, de kelder en/of het souterrain;
j. ondergeschikte horeca ten behoeve van de onder e genoemde functie;
met de daarbij behorende:
k. in- en uitritten;
l. tuinen en erven;
m. bijbehorende bouwwerken;
n. nutsvoorzieningen;
o. groen;
p. water.
Artikel 22.2.2 Gebouwen
Voor bouwen van gebouw gelden de volgende regels:
[…]
b. de maximale goot- en bouwhoogte zoals aangeduid mag niet worden overschreden;
[…].
Artikel 39.2 Toegestane overschrijdingen maximale bouwhoogtes
Het is toegestaan de in dit plan aangegeven maximale bouwhoogtes te overschrijden tot ten hoogste 1 meter.
Artikel 42 Algemene Pro afwijkingsregels
Het Dagelijks Bestuur kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de bepalingen van het plan teneinde:
[…]
c. de in de regels toegestane maximale bouwhoogten met niet meer dan 1 meter wordt vergroot;
d. de in de regels toegestane maximale bouwhoogten, anders dan bedoeld in c, met ten hoogste:
[…]
3. 3 meter worden overschreden ten behoeve van een dakopbouw, mits de realisatie van een dakopbouw stedenbouwkundig aanvaardbaar is;
4. 2 meter worden overschreden ten behoeve van een dakterras;
[…]
Regels van de Beleidsregels Afwijken omgevingsvergunning Stadsdeel Oost
7.4 IJburg (gebied D)
Voor percelen gelegen op IJburg (met uitzondering van de vrijstaande woningen op Steigereiland) wordt het bouwen van een dakopbouw, een dakuitbouw of daktoegang die in strijd is met het bestemmingsplan, een afwijking verleend onder de volgende voorwaarden:
1. De dakopbouw, dakuitbouw of daktoegang wordt gerealiseerd op een plat dak;
2. De dakopbouw, dakuitbouw of daktoegang voldoet aan de voorzijde aan de zichtbaarheidsregels;
3. De dakopbouw, dakuitbouw of daktoegang voldoet aan de voorzijde aan de 45o-regel;
4. De dakopbouw, dakuitbouw of daktoegang voldoet aan de achterzijde aan de 45o-regel;
5. Het oppervlak van de dakopbouw, dakuitbouw of daktoegang bedraagt maximaal ½ van het oppervlak van de grootste oorspronkelijke, onderliggende bouwlaag;
6. De dakopbouw, dakuitbouw of daktoegang wordt aan één zijde gerealiseerd op minimaal 1 aaneengesloten meter afstand ten opzichte van de zijdelingse perceelsgrens;
7. De maximale verdiepingshoogte is gelijk aan de minimaal vereiste stahoogte voor verblijfruimten conform de (bouw-)technische regelgeving zoals deze geldt op het moment van het indienen van de aanvraag + 0,5 meter voor de dakconstructie;
8. Op de dakopbouw, dakuitbouw of daktoegang is geen dakterras toegestaan.