ECLI:NL:RVS:2026:3676

Raad van State

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
202504743/1/R4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.O. van Veldhuizen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Afvalstoffenverordening 2009 gemeente Kaag en Braassem
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen spoedeisende bestuursdwang inzameling huishoudelijk afval afgewezen

Het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem heeft op 9 april 2025 schriftelijk bevestigd dat op 22 januari 2025 spoedeisende bestuursdwang is toegepast wegens het verkeerd aanbieden van huishoudelijk afval. Twee huisvuilzakken met PMD-afval werden aangetroffen bij een lantaarnpaal in Roelofarendsveen, waarvan één zak aan de kroonring hing. Het afval bevatte plastic verpakkingen met een adreslabel van appellante, wat het college deed aannemen dat zij de overtreder was.

Appellante voerde aan dat het besluit onzorgvuldig was voorbereid vanwege een kennelijke verschrijving in de locatie en datum in het besluit van 27 mei 2025. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat deze verschrijving niet tot onduidelijkheid leidde, omdat elders in het besluit en in het eerdere besluit van 9 april 2025 de juiste locatie en datum werden genoemd.

Verder betwistte appellante niet dat het afval van haar afkomstig was, maar stelde zij dat het op de juiste dag was aangeboden en dat alternatieve scenario's zoals verplaatsing door derden niet gemotiveerd waren weerlegd. De Afdeling bevestigde het bewijsvermoeden dat bij aanwezigheid van een poststuk met haar adres in het afval zij als overtreder mag worden aangemerkt, tenzij voldoende twijfel wordt gezaaid. De door appellante overgelegde bewakingsbeelden en stellingen waren onvoldoende om het vermoeden te ontkrachten.

Het college heeft bovendien op de zitting toegelicht dat het zich niet langer op het standpunt stelt dat zij verantwoordelijk blijft als het afval niet wordt opgehaald, maar alleen dat zij het afval bij zich moeten houden tot de volgende ophaaldag. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot spoedeisende bestuursdwang wegens verkeerd aanbieden van huishoudelijk afval is ongegrond verklaard.

Uitspraak

202504743/1/R4.
Datum uitspraak: 24 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in Roelofarendsveen, gemeente Kaag en Braassem,
appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 9 april 2025 heeft het college zijn beslissing om op 22 januari 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2009 van de gemeente Kaag en Braassem aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 248,90, voor rekening van [appellante] komen.
Bij besluit van 27 mei 2025 heeft het college het door [appellante] daartegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 12 december 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. H.I.M. Dierkx, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van twee huisvuilzakken met PMD-afval die op woensdag 22 januari 2025, een dag na de inzameldag, zijn aangetroffen bij een lantaarnpaal ter hoogte van de [locatie 1] in Roelofarendsveen. Een van de huisvuilzakken hing aan de kroonring van de lantaarnpaal. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] de huisvuilzakken verkeerd heeft aangeboden, omdat daarin twee plastic verpakkingen met daarop een adreslabel met haar naam en adres zijn aangetroffen.
Zorgvuldigheid besluitvorming
2.       [appellante] betoogt dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid. Zij voert aan dat in het besluit van 27 mei 2025 staat dat de huisvuilzakken zijn aangetroffen bij de [locatie 2] in Nieuw Wetering op 23 januari 2025, terwijl uit het rapport van de toezichthouder blijkt dat het afval is aangetroffen op de [locatie 1] in Roelofarendsveen op 22 januari 2025. Hierdoor is het volgens [appellante] onduidelijk over welk feitelijk voorval door het college wordt geoordeeld.
2.1.    De Afdeling is van oordeel dat het in dit geval gaat om een kennelijke verschrijving in het besluit van 27 mei 2025. Op de zitting is vastgesteld dat door de verschrijving niet onduidelijk is wat zich heeft voorgedaan. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat in de weergave van de bezwaren van [appellante] in het besluit van 27 mei 2025 [locatie 1] wordt genoemd als de locatie waar het afval is aangetroffen en elders in het besluit de ophaaldag in Roelofarendsveen wordt genoemd. Verder staat ook in het besluit van 9 april 2025 dat het afval is aangetroffen ter hoogte van de [locatie 1] in Roelofarendsveen.
Het betoog slaagt niet.
Overtreding
3.       [appellante] betwist niet dat de huisvuilzakken van haar afkomstig zijn, maar stelt dat zij deze op de juiste dag en tijd heeft aangeboden. Zij voert aan dat de enkele aanwezigheid van adresgegevens in de zak op woensdag 22 januari 2025 onvoldoende bewijs is dat zij de huisvuilzakken verkeerd heeft aangeboden. [appellante] stelt dat haar man de zakken op maandagavond heeft aangeboden. Zij heeft een schermafbeelding van een opname van haar bewakingscamera overgelegd, waarop volgens haar te zien is dat haar man op maandagavond afval in zijn auto inlaadt. [appellante] vermoedt dat de zak op dinsdag over het hoofd is gezien door de ophaaldienst. Ook is het volgens [appellante] mogelijk dat derden de zak hebben verplaatst of dat kinderen of dieren ermee hebben gespeeld, waarna de zak opnieuw is achtergelaten. Zij stelt zich op het standpunt dat het college haar niet als overtreder heeft mogen aanmerken, zonder deze alternatieve scenario’s gemotiveerd te weerleggen.
[appellante] merkt verder op dat het uitgangspunt van het college dat zij verantwoordelijk blijft voor het ophalen van haar afval als dit niet is opgehaald door de ophaaldienst, in de praktijk onuitvoerbaar is. De huisvuilzakken zijn weliswaar transparant, maar bevatten algemeen huishoudelijk afval. Hierdoor kan [appellante] haar eigen huisvuilzak niet identificeren tussen meerdere, soortgelijke zakken.
3.1.    Indien verkeerd aangeboden huishoudelijk afval tot een bepaalde persoon is te herleiden, bijvoorbeeld door middel van een daarin aangetroffen poststuk, mag er volgens vaste rechtspraak van de Afdeling van worden uitgegaan dat dit afval door de betrokkene op onjuiste wijze ter inzameling is aangeboden en dat hij derhalve de overtreder is (hierna: het bewijsvermoeden). Voor het mogen hanteren van dit bewijsvermoeden is voldoende dat in het afval één tot de betrokkene te herleiden poststuk is aangetroffen. Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, 201702617/1/A1 (ECLI:NL:RVS:2018:2432).
Op grond van dit bewijsvermoeden is de enkele omstandigheid dat de aangetroffen afvalstoffen tot een persoon te herleiden zijn, in beginsel voldoende om diegene als overtreder aan te merken. Het is vervolgens aan diegene om het bewijsvermoeden te ontkrachten. De daarbij te hanteren maatstaf is of dat wat de betrokkene daartegen aanvoert de juistheid van dat vermoeden in twijfel doet trekken. De betrokkene hoeft dus niet te bewijzen dat hij niet de overtreder was. Ontstaat voldoende twijfel of de als overtreder aangemerkte persoon daadwerkelijk verantwoordelijk is voor het plaatsen van de afvalstoffen, dan is daarmee het bewijsvermoeden ontkracht. Het bestuursorgaan kan in dat geval aan de op hem rustende bewijslast voldoen door aannemelijk te maken dat de betrokkene toch de overtreder is. Daarvoor is dan meer nodig dan het enkel wijzen op de omstandigheden die ten grondslag lagen aan de toepassing van het bewijsvermoeden.
3.2.    Vast staat dat op woensdag 22 januari 2025, een dag na de ophaaldag, twee huisvuilzakken zijn aangetroffen bij een lantaarnpaal ter hoogte van de [locatie 1] in Roelofarendsveen. De huisvuilzakken zijn daarmee in strijd met de Afvalstoffenverordening ter inzameling aangeboden. Door de twee plastic verpakkingen met daarop een adreslabel met haar naam en adres die in de huisvuilzakken zijn aangetroffen, is het afval tot [appellante] te herleiden. Dit betekent dat het college mag aannemen dat zij de overtreder is, tenzij door wat zij aanvoert voldoende twijfel ontstaat of zij daadwerkelijk verantwoordelijk is voor het verkeerd aanbieden van de huisvuilzakken.
Op de door [appellante] overgelegde schermafbeelding is te zien dat haar man op maandagavond op de oprit bij een auto staat met een open kofferbak. Op de schermafbeelding zijn geen huisvuilzakken te zien. Daarmee is de stelling van [appellante] dat haar man de aangetroffen huisvuilzakken op maandagavond op de [locatie 1] heeft aangeboden, en niet pas na de ophaaldag, onvoldoende onderbouwd. Hetzelfde geldt voor de enkele stelling dat kinderen, derden of dieren de zakken verplaatst kunnen hebben. Voor zover [appellante] stelt dat de huisvuilzakken mogelijk niet zijn opgehaald, overweegt de Afdeling dat het college dit op de zitting heeft weersproken. Volgens het college zijn er geen aanwijzingen geweest dat de ophaaldienst op dinsdag 21 januari 2025 het afval ter hoogte van de [locatie 1] niet heeft opgehaald. Daarover zijn ook geen klachten ontvangen. Het college heeft bovendien aangegeven dat regelmatig wordt gecontroleerd of de ophaaldienst goed functioneert en dat er geen aanwijzingen zijn dat er stelselmatig fouten worden gemaakt. De Afdeling ziet in de enkele stelling van [appellante] geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Omdat [appellante] onvoldoende twijfel heeft gezaaid dat zij niet degene is geweest die de huisvuilzakken op woensdag ter hoogte van de [locatie 1] verkeerd heeft aangeboden, heeft het college haar terecht aangemerkt als overtreder.
Overigens heeft het college op de zitting toegelicht dat iemand die zijn afval juist heeft aangeboden, hiervoor niet langer verantwoordelijk is in het geval het afval niet wordt opgehaald door de ophaaldienst. Het college is daarmee teruggekomen op zijn standpunt in het besluit van 27 mei 2025. Op de zitting heeft het college verhelderd dat het zich slechts op het standpunt heeft willen stellen dat degenen die de ophaaldag gemist hebben, de verantwoordelijkheid hebben hun afval bij zich te houden tot de volgende ophaaldag.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
4.       Het beroep is ongegrond.
5.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. G.O. van Veldhuizen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Schmidt, griffier.
w.g. Van Veldhuizen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schmidt
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026
1133