ECLI:NL:RVS:2026:3664

Raad van State

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
202405113/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet open overheid
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij Woo-verzoek

Appellant verzocht de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet open overheid (Woo). De minister heeft dit verzoek ingewilligd en een lijst met deelbesluiten en bezwaren van derde-belanghebbenden openbaar gemaakt. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door de minister ongegrond werd verklaard, waarbij een deel van het bezwaar als een aanvullend Woo-verzoek werd opgevat en daarop afzonderlijk werd beslist.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat alle op dat moment aanwezige documenten waren verstrekt en het bezwaar terecht als een nieuw Woo-verzoek was opgevat. Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat hij alle informatie had ontvangen en dat de minister zijn bezwaar niet correct had behandeld.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellant geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep, nu alle gevraagde documenten inmiddels openbaar zijn gemaakt. De zaak draait alleen nog om een principiële vraag over de juiste procedure, waarvoor de bestuursrechter geen uitspraak doet. Daarom verklaarde de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

202405113/1/A3.
Datum uitspraak: 24 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 juli 2024 in zaak nr. 23/4441 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Procesverloop
Bij besluit van 20 februari 2023 heeft de minister het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet open overheid (Woo) ingewilligd.
Bij besluit van 22 juni 2023 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 11 juli 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 juni 2026, waar [appellant] en de minister, vertegenwoordigd door mr. A. Ramdani en I.M. Daniel, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       Bij brief van 5 oktober 2022 heeft [appellant] de minister op grond van de Woo verzocht om openbaarmaking van documenten over geuite bezwaren van derde-belanghebbenden tegen de openbaarmaking van documenten bij deelbesluiten over een eerder Woo-verzoek van [appellant]. Bij besluit van 20 februari 2023 heeft de minister een lijst van deelbesluiten en de daartegen gemaakte bezwaren van derde-belanghebbenden openbaar gemaakt. De minister heeft het daartegen gemaakte bezwaar van [appellant] bij besluit van 22 juni 2023 ongegrond verklaard. De minister heeft daarbij een deel van het bezwaar van [appellant] opgevat als een aanvullend Woo-verzoek, en bij een afzonderlijk besluit op dezelfde dag documenten openbaar gemaakt. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] ongegrond verklaard, omdat naar het oordeel van de rechtbank de minister alle ten tijde van het verzoek aanwezige documenten heeft verstrekt, en het bezwaar terecht heeft opgevat als een nader Woo-verzoek.
Hoger beroep
2.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij met het besluit van 20 februari 2023 alle verzochte informatie heeft ontvangen. Daarin is namelijk geen informatie gegeven over de documenten uit het deelbesluit over de stukken uit november 2020 waarvan de openbaarmaking was opgeschort. Die informatie heeft de minister namelijk in een apart besluit openbaar gemaakt naar aanleiding van het bezwaar van [appellant]. [appellant] betoogt dat de rechtbank verder ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister dat bezwaar terecht als een nieuw Woo-verzoek heeft opgevat, omdat op het moment van het besluit van 20 februari 2023 al duidelijk was van welke documenten uit het deelbesluit over de stukken uit november 2020 de openbaarmaking was opgeschort, en de minister zijn bezwaargrond hierover dus had moeten behandelen.
Procesbelang
3.       De minister stelt zich op het standpunt dat [appellant] geen belang meer heeft bij een uitspraak op zijn hoger beroep. Zoals [appellant] namelijk zelf ook erkent, heeft de minister alle verzochte informatie inmiddels verstrekt.
3.1.    Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak. Als de appellant stelt schade te hebben geleden, kan belang bestaan bij een inhoudelijke beoordeling van het (hoger) beroep. Voor het aannemen van procesbelang moet tot op zekere hoogte aannemelijk zijn dat schade is geleden als gevolg van het besluit.
3.2.    De Afdeling oordeelt dat [appellant] geen procesbelang heeft bij een inhoudelijk oordeel over zijn hoger beroep. Het is namelijk niet in geschil dat de minister inmiddels alle documenten openbaar heeft gemaakt waar [appellant] om heeft verzocht. Zoals [appellant] heeft toegelicht, gaat deze zaak hem alleen nog om de principiële vraag of de minister de juiste procedure heeft doorlopen door zijn bezwaarschrift deels op te vatten als een nader Woo-verzoek. Volgens rechtspraak van de Afdeling is de bestuursrechter niet geroepen uitspraak te doen uitsluitend wegens de principiële betekenis daarvan. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 15 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2058, onder 3. De Afdeling komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep van [appellant].
Slotsom
4.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
5.       De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.
w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hartsuiker
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026
620-1114