ECLI:NL:RVS:2026:3654

Raad van State

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
202503346/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 Wet hersteloperatie toeslagenArt. 2.6 Wet hersteloperatie toeslagen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag wegens geen institutionele vooringenomenheid of hardheid stelsel

De zaak betreft het hoger beroep van een appellant tegen de afwijzing van compensatieaanvragen voor kinderopvangtoeslag over de jaren 2011 tot en met 2014 door de Dienst Toeslagen. De Dienst Toeslagen stelde dat bij de beoordeling geen fouten, institutionele vooringenomenheid of hardheid van het stelsel waren geconstateerd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en dat oordeel is door de Afdeling bestuursrechtspraak bevestigd.

De appellant voerde aan dat zij wel degelijk een verzoek tot persoonlijke betalingsregeling had gedaan en dat sprake was van institutionele vooringenomenheid en hardheid van het stelsel, omdat het toetsingsinkomen onjuist was vastgesteld zonder haar toedoen. De Afdeling oordeelde dat uit de stukken niet blijkt dat een persoonlijk verzoek tot betalingsregeling is gedaan en dat geen O/GS-kwalificatie is toegekend. Ook is de foutieve vaststelling van het toetsingsinkomen niet aan de Dienst Toeslagen toe te rekenen en heeft appellant de mogelijkheid gehad dit te corrigeren.

Verder werd een verzoek gedaan om inzage in de omvangrijke datakluis met ongesorteerde bestanden, maar de Afdeling zag geen aanleiding tot een tussenuitspraak of nader onderzoek, mede vanwege de onduidelijkheid over de inhoud en impact van de datakluis. De Afdeling concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van compensatie wordt bevestigd.

Uitspraak

202503346/1/A2.
Datum uitspraak: 24 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland­-West­-Brabant van 25 april 2025 in zaak nr. 24/1958 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij aparte besluiten van 14 mei 2021 heeft de Dienst Toeslagen in het kader van de hersteloperatie toeslagen een aanvraag van [appellante] om compensatie over de jaren 2011 tot en met 2014 afgewezen.
Bij besluit van 9 januari 2024 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 april 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 april 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. P. Salim, advocaat in Amsterdam, en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], zijn verschenen.
Overwegingen
Besluitvorming
1.       Aan de besluiten van 14 mei 2021 heeft de Dienst Toeslagen ten grondslag gelegd dat uit de herbeoordeling is gebleken dat bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag over de jaren 2011 tot en met 2014 geen fouten zijn gemaakt. Volgens de Dienst Toeslagen is bij de besluitvorming over de kinderopvangtoeslag over die jaren in dit geval geen sprake geweest van institutionele vooringenomenheid en ook niet van hardheid bij de toepassing van het toenmalige wettelijke systeem.
In het besluit van 9 januari 2024 heeft de Dienst Toeslagen daaraan toegevoegd dat de omstandigheid dat het toetsingsinkomen van [appellante] na haar telefoongesprek van 28 juli 2011 met de Dienst Toeslagen per abuis is vastgesteld op € 2.357,00 geen blijk geeft van institutioneel vooringenomen handelen en/of hardheid in de toepassing van het stelsel. Het is namelijk aan [appellante] als aanvrager om eventuele onjuistheden of wijzigingen in gezins-, woon- of inkomenssituatie door te geven aan de Dienst Toeslagen. [appellante] heeft geen bezwaar gemaakt tegen het aangepaste toetsingsinkomen of de hoogte van de toegekende kinderopvangtoeslag en heeft haar toetsingsinkomen pas in 2014 aangepast. Verder is uit onderzoek in haar dossier door de Dienst Toeslagen niet gebleken dat [appellante] een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling heeft gedaan, zodat een dergelijk verzoek ook niet kan zijn afgewezen. Uit het dossier blijkt enkel dat uitstel van betaling is verleend voor een openstaande belastingschuld die zag op de inkomstenbelasting over het jaar 2017. Ten slotte is ook niet gebleken van een verwijt van opzet/grove schuld (O/GS).
1.1.    De relevante wettelijke bepalingen staan in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Uitspraak van de rechtbank
2.       De rechtbank heeft overwogen dat in het geval van [appellante] geen sprake is van terugvorderingen die het gevolg zijn van hardheid van het toegepaste stelstel die tot een alles-of-niets-benadering heeft geleid. Immers heeft de Dienst Toeslagen de kinderopvangtoeslag voor de relevante jaren herzien, omdat het daadwerkelijke toetsingsinkomen afweek van het inkomen op basis waarvan het voorschot was berekend. Er hebben zich dus geen bijzondere omstandigheden voorgedaan. Weliswaar heeft de Dienst Toeslagen na het telefoongesprek op 28 juli 2011 in eerste instantie een te laag toetsingsinkomen gehanteerd en is niet gebleken dat [appellante] een verwijt valt te maken, maar dit maakt nog niet dat [appellante] gedupeerd is door de hardheid van het stelsel in de vorm van een alles-of-niets-benadering. Bovendien had [appellante] het foutieve toetsingsinkomen kunnen opmerken en aanpassen.
Verder heeft de rechtbank overwogen dat uit de door [appellante] overgelegde stukken van haar boekhouder niet is gebleken van een verzoek om een betalingsregeling ten aanzien van de terugvorderingen kinderopvangtoeslag voor de relevante jaren en ook niet van afwijzing van een dergelijk verzoek.
Hoger beroep
3.       [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken dat zij om een persoonlijke betalingsregeling heeft verzocht voor de teruggevorderde kinderopvangtoeslag over de relevante jaren. Uit de overgelegde correspondentie van haar boekhouder blijkt namelijk dat zij dit wel heeft gedaan en dat de Dienst Toeslagen zich steeds weigerachtig heeft opgesteld. Verder betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte met de Dienst Toeslagen heeft overwogen dat zij geen recht heeft op compensatie. In haar geval is immers sprake van institutionele vooringenomenheid of hardheid van het stelsel, omdat zij niet zelf het foutieve toetsingsinkomen heeft doorgegeven dat bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag is gehanteerd.
Op de zitting heeft [appellante], naar aanleiding van een brief van 15 april 2026 van de staatssecretarissen van Financiën aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2025/2026, 31066, nr. 1535 (de kamerbrief)), de Afdeling verzocht om tussenuitspraak te doen, teneinde duidelijkheid te krijgen over de documenten die zich in de betreffende datakluis bevinden of om een onpartijdige deskundige kennis te laten nemen van de stukken in de datakluis, zodat die de relevantie hiervan voor de onderhavige zaak kan beoordelen.
Beoordeling
3.1.    Hoewel uit de overgelegde stukken van de boekhouder van [appellante] volgt dat de mogelijkheid van een betalingsregeling is besproken, heeft de rechtbank terecht overwogen dat daaruit niet blijkt dat [appellante] daadwerkelijk heeft verzocht om een persoonlijke betalingsregeling voor het toeslagjaar 2011, 2012 of 2013. De rechtbank heeft eveneens terecht overwogen dat dus ook niet is gebleken van afwijzing van zo’n verzoek wegens een onterechte O/GS-kwalificatie. Verder gaat [appellante] er met dit betoog aan voorbij dat zij nooit een O/GS-kwalificatie heeft gekregen, zoals volgt uit de navraag die de Dienst Toeslagen heeft gedaan bij het organisatieonderdeel Centraal Administratieve Processen, Betalen en Innen, waarvan het resultaat is neergelegd in bijlage 15 bij de schriftelijke uiteenzetting.
Het betoog slaagt niet.
3.2.    Verder kan [appellante] niet worden gevolgd in haar betoog dat sprake is van hardheid van het stelsel, wegens toepassing van het onjuiste toetsingsinkomen door de Dienst Toeslagen. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de toelichting bij de Wht (Kamerstukken II 2021/2022, 36151, nr. 3, p.3), terecht overwogen dat de omstandigheid dat het toetsingsinkomen in 2011 te laag is genoteerd en dat niet is gebleken dat [appellante] daarvan een verwijt is te maken, nog niet meebrengt dat zij gedupeerd is door de hardheid van het stelsel in de vorm van een alles-of-niets-benadering en dat dit ook geldt voor zover de foutieve wijziging van het inkomen in de jaren 2012 en 2013 heeft doorgewerkt. De rechtbank heeft verder terecht in aanmerking genomen dat [appellante] in de besluiten had kunnen zien dat het gehanteerde toetsingsinkomen onjuist was.
Ook is er geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Dienst Toeslagen als gevolg van vooringenomenheid het jaarinkomen van [appellante] voor 2011 als zodanig heeft genoteerd. De rechtbank heeft terecht de bezwaarschriftenadviescommissie gevolgd, die in het advies van 21 december 2023 heeft vermeld dat het haar niet onaannemelijk voorkomt dat sprake kan zijn geweest van miscommunicatie in die zin dat het maandinkomen voor 2011 is doorgegeven als jaarinkomen.
Het betoog slaagt niet.
Verzoek datakluis
3.3.    Wat het verzoek van [appellante] ten aanzien van de datakluis betreft: in de kamerbrief staat dat die datakluis ten minste 64 miljoen ongesorteerde bestanden bevat, die in bulk apart zijn gezet, die willekeurig en niet allemaal werkinhoudelijk zijn, en waarvan de status mogelijk niet valt te achterhalen. Verder staat er dat de bestanden eerst moeten worden geïndexeerd voordat de datakluis doorzoekbaar is. De staatssecretarissen benadrukken dat het aantreffen van deze gegevens geen invloed heeft op eerder genomen besluiten waarin ouders als gedupeerde zijn aangemerkt over de situatie van gedupeerden in het herstelproces, dat het verhaal van de ouder nog altijd leidend is en dat gedupeerden ruimhartig worden gecompenseerd voor de geleden schade. Het is de prioriteit van de staatssecretarissen om de Tweede Kamer, en daarmee de maatschappij, inzicht en duidelijkheid te geven over de inhoud van de datakluis.
3.4.    De Afdeling stelt, mede gelet op de recente verschijningsdatum van de kamerbrief en de enorme omvang van de datakluis, vast dat nog volledig onduidelijk is welke bestanden zich in de datakluis bevinden, op welke termijn de inhoud van de bestanden inzichtelijk en doorzoekbaar zal worden, en of - en zo ja, op welke manier - dit gevolgen zal hebben voor de hersteloperatie toeslagen. De Afdeling stelt verder vast dat de staatssecretarissen in de kamerbrief benadrukken dat het aantreffen van de datakluis geen invloed (de Afdeling begrijpt: geen negatieve invloed) heeft op eerder genomen besluiten waarin ouders als gedupeerde zijn aangemerkt over de situatie van gedupeerden in het herstelproces. Onder de geschetste omstandigheden ziet de Afdeling geen aanleiding om een tussenuitspraak te doen, om de zaak aan te houden en/of om nader onderzoek te doen of te laten doen naar de inhoud van de datakluis.
Conclusie
4.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5.       De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Rijsdijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026
705-1197
BIJLAGE
Wettelijk kader
Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 2.1
1. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem:
a. voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen; of
b. de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.
[…].
Artikel 2.6
1. De Dienst Toeslagen kent aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag op aanvraag een O/GS-tegemoetkoming toe indien de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de daarop berustende bepalingen of de Wet kinderopvang bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard, omdat aan hem geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld van hemzelf of zijn partner ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag.