ECLI:NL:RVS:2026:3654
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag wegens geen institutionele vooringenomenheid of hardheid stelsel
De zaak betreft het hoger beroep van een appellant tegen de afwijzing van compensatieaanvragen voor kinderopvangtoeslag over de jaren 2011 tot en met 2014 door de Dienst Toeslagen. De Dienst Toeslagen stelde dat bij de beoordeling geen fouten, institutionele vooringenomenheid of hardheid van het stelsel waren geconstateerd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en dat oordeel is door de Afdeling bestuursrechtspraak bevestigd.
De appellant voerde aan dat zij wel degelijk een verzoek tot persoonlijke betalingsregeling had gedaan en dat sprake was van institutionele vooringenomenheid en hardheid van het stelsel, omdat het toetsingsinkomen onjuist was vastgesteld zonder haar toedoen. De Afdeling oordeelde dat uit de stukken niet blijkt dat een persoonlijk verzoek tot betalingsregeling is gedaan en dat geen O/GS-kwalificatie is toegekend. Ook is de foutieve vaststelling van het toetsingsinkomen niet aan de Dienst Toeslagen toe te rekenen en heeft appellant de mogelijkheid gehad dit te corrigeren.
Verder werd een verzoek gedaan om inzage in de omvangrijke datakluis met ongesorteerde bestanden, maar de Afdeling zag geen aanleiding tot een tussenuitspraak of nader onderzoek, mede vanwege de onduidelijkheid over de inhoud en impact van de datakluis. De Afdeling concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van compensatie wordt bevestigd.