ECLI:NL:RVS:2026:3635
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting en voor opvang in asielprocedure
Verzoeker heeft bij de minister een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke op 28 maart 2025 is afgewezen. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep op 30 april 2026 ongegrond. Verzoeker stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker niet wordt uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en dat hij recht heeft op opvang en verstrekkingen. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, die geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Deze voorlopige voorziening is getroffen op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht, waarbij de belangen van verzoeker worden gewogen tegen het belang van de overheid. De uitspraak is gedaan op 25 juni 2026 door de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet uitgezet en krijgt opvang en verstrekkingen totdat het hoger beroep is beslist.