ECLI:NL:RVS:2026:3631

Raad van State

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
BRS.26.001201
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 85 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen vertrekbevel EU in vreemdelingenrecht

Appellant werd bij besluit van 16 juli 2025 door de minister van Asiel en Migratie opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten. De rechtbank Den Haag verklaarde het door appellant ingestelde beroep tegen dit besluit ongegrond op 13 februari 2026. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het hogerberoepschrift niet voldeed aan de wettelijke eisen van artikel 85 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat appellant niet duidelijk maakte op welke punten de uitspraak van de rechtbank onjuist zou zijn. In plaats daarvan beriep appellant zich op het recht op privéleven uit artikel 8 EVRM Pro, een grondslag die niet in de uitspraak van de rechtbank aan de orde was gekomen.

Daarom kon de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep en verklaarde zij het hoger beroep niet-ontvankelijk. De minister werd niet verplicht proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, op 25 juni 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende motivering.

Uitspraak

BRS.26.001201
Datum uitspraak: 25 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 13 februari 2026 in zaak nr. NL25.37190 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 16 juli 2025 heeft de minister appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten.
Bij uitspraak van 13 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        Wat u in het hogerberoepschrift heeft aangevoerd, voldoet niet aan de wet (artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000). Volgens de wet moet iemand die hoger beroep instelt, uitleggen op welk punt de uitspraak van de rechtbank niet juist is en waarom dat volgens hem zo is. Dat heeft u niet gedaan. De rechtbank heeft in de uitspraak uitgelegd waarom de minister wordt gevolgd in zijn standpunt dat hij uw tijdelijke bescherming als derdelander met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne mocht beëindigen en u mocht opdragen de Europese Unie te verlaten. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat uit het dossier niet blijkt dat u gevaar loopt in Algerije. In hoger beroep legt u niet uit waarom deze uitspraak van de rechtbank niet juist is, want u beroept zich nu op het recht op privéleven, bedoeld in artikel 8 EVRM Pro. Daarover gaat de uitspraak van de rechtbank niet. Omdat het hogerberoepschrift dus niet aan de eisen van de wet voldoet, kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over uw hoger beroep (artikel 85 van Pro de Vw 2000).
2.        Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.A. de Jong, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Jong
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2026
981