ECLI:NL:RVS:2026:3611
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen weigering verblijfsvergunning regulier
Verzoeker heeft bij besluit van 23 december 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Hiertegen maakte verzoeker bezwaar, dat bij besluit van 7 mei 2024 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 7 mei 2026 het beroep ongegrond verklaarde.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en tevens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek beoordeeld op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht.
De voorzieningenrechter concludeert dat er geen spoedeisend belang is voor het treffen van een voorlopige voorziening en wijst het verzoek daarom af. Tevens wordt bepaald dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak is gedaan in het openbaar op 24 juni 2026.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.